Heilige Johannes Capestrano, priester
Eerste lezing: Efeziërs 3,14-21 [III 343];
Evangelie: Lucas 12,49-53 [III 344]
Inleiding
De heilige van wie wij vandaag de gedachtenis vieren, Johannes Capestrano, leefde in de eerste helft van de vijftiende eeuw. Dat waren de late middeleeuwen, herfsttij van de middeleeuwen, en de beschaving was, evenals de onze nu, in verval en de Kerk in schisma; er heerste vroegkapitalisme, de tegenstelling tussen arm en rijk was groot, velen overleden aan de pest; heksenwaan speelde een grote rol. En het was in dat tijdperk, dat deze Johannes Capestrano de meest begeesterde predikant was. Hij was klein, mager, uitgedroogd en vel over been. 'Alleen al zijn verschijning was een preek', zei Pius II over hem. Van Frankrijk tot Polen, van Beieren tot Hongarije wachtten de gelovigen op zijn komst, trokken hem in processie tegemoet en luisterden urenlang naar zijn preken in het Latijn met de vertaling daarvan door tolken. Ze waren getuigen van wonderbare genezingen in een onwaarschijnlijke hoeveelheid. Hij bracht op een gegeven ogenblik zelfs een leger op de been, en dat niet met wapenen maar met voedsel, om de door de Turken belegerde stad Belgrado te ontzetten en verlichting te geven. 'Ik wil het kruis verdedigen tot bloedens toe en dat nog wel honderd maal op één dag als het zo zijn moet,' was zijn uitspraak. Dat is het waarmerk van de echte getuige, dat hij zijn leven wil geven, bloedig of onbloedig, maar in ieder geval met de totale inzet van alles wat hij heeft en wat hij is. Daarin is onze Getuige, Jezus, ons voorgegaan en dat is wat wij hier vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Vuur ben Ik op aarde komen brengen,
en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait!
Ik moet een doopsel ondergaan,
en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is.
Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen?
Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid.
Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn;
drie zullen er staan tegenover twee
en twee tegenover drie;
de vader tegenover de zoon en de zoon tegenover de vader;
de moeder tegenover de dochter en de dochter tegenover de moeder;
de schoonmoeder tegenover haar schoondochter
en de schoondochter tegenover de schoonmoeder.
Homilie
Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid. Geen vrede op aarde? Wat zullen we nu toch krijgen? De engelen hebben toch gezongen bij Jezus' geboorte: Eer aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen die Hij liefheeft" (Lc 2,14). En hoe zit het met onze vredesgroet, onze Pax, straks na het Onze Vader? Moeten we die dan maar ruilen voor een groet van verdeeldheid? Voor een gebalde vuist? En wat bedoelt Jezus dan met wat Hij aan zijn apostelen meegeeft, als Hij ze twee aan twee uitzendt, om aan de mensen de Blijde Boodschap te verkondigen? "Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste woord zijn: Vrede aan dit huis!" (Lc 10,5).
Als Jezus zegt dat Hij geen vrede is komen brengen maar strijd en verdeeldheid, dan moeten we dat niet zo verstaan dat Hij is teruggekomen op zijn vredelievende bedoelingen, maar dat Hij vooruitziet dat zijn vrede zal worden gedwarsboomd door afwijzing. Hij doet een aanbod van vrede. De vrede wordt ons niet opgelegd. We kunnen er voor kiezen, maar we kunnen er ook tegen kiezen. Hij is de Vrede in eigen Persoon. Dat hebben we maandag nog gehoord in de eerste lezing: "Want Hij is onze vrede, Hij die de twee werelden één gemaakt heeft en de scheidsmuur heeft neergehaald.
Hij heeft vrede gesticht door in zijn persoon uit de twee, één nieuwe Mens te scheppen" (Ef 2,14.15). Als je Hem, die de Vrede zelf is, afwijst, dan krijg je verdeeldheid. In die zin is Jezus, door de vrede te komen brengen, ook de brenger van de verdeeldheid. En dat zal ook het lot zijn van zijn volgelingen. Door hun keuze voor Jezus krijgen ze anderen tegen zich.
Met die verdeeldheid krijgt trouwens iedereen te maken, want Jezus wil met zijn vrede alle mensen en alle milieus bereiken. Daarom spreekt Hij over die verdeeldheid in de gezinnen, in de families: "Drie zullen er staan tegenover twee en twee tegenover drie;" en dat wordt dan verder uitgewerkt in niet zo maar mensen in de maatschappij, nee, dat is "de vader tegenover de zoon en de zoon tegenover de vader; de moeder tegenover de dochter," enzovoort. De scheidingslijn gaat dwars door de gezinnen, door de religieuze gemeenschappen, door de parochies, enzovoort, heen. Simeon, de vredelievende Simeon, voorspelde het al aan Maria bij de opdracht van Jezus in de tempel: "Zie, dit Kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden (Lc 2,34.35). Door die vrije keuze kun je laten zien wat er in je hart steekt. En tot Maria zei Simeon nog: Uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord" (Lc 2, 35).
Misschien denkt u: dat er verdeeldheid is buiten de Kerk, is al erg genoeg, of tussen de verschillende christelijke confessies, maar binnen onze eigen Kerk, in onze eigen groeperingen, dat kan toch niet. En tóch: het staat er. Je weet wat je te wachten staat. Wees dus niet teleurgesteld, verlies de vrede van je hart niet. Voel je niet onrechtmatig behandeld wanneer je zoiets overkomt, wanneer je moet constateren dat er allerlei spanningen bestaan tussen de eigen huisgenoten omwille van Hem. Uiteindelijk zult u er allemaal genoegen mee moeten nemen dat die verdeeldheid er is, omdat die verdeeldheid, die onvrede er is in ieder mensenhart. Het menselijk hart is verscheurd. Het verlangt naar vrede, het zoekt naar God, het is gericht op het goede, op harmonie met de naaste, het is gericht op vrede; maar er is ook een andere 'ik'. Elke mens constateert in zijn eigen hart ook nog een heel andere oriëntatie; hij zoekt zichzelf, zijn eigenbelang, zijn eigen wil, en als een mens inkeert in zijn innerlijk, dan komt hij die verscheurdheid tegen. En hoe dieper hij komt, hoe dieper hij afdaalt, hoe stiller hij wordt, des te onontkomelijker wordt hij geconfronteerd met die innerlijke verscheurdheid. Een mens krijgt dan het gevoel dat hij er aan ten onder gaat, zo'n verscheurende pijn is het; het is een zwaard door zijn hart, het hart breekt. Maar als hij dát aan zichzelf laat gebeuren, dan wordt hij een kind van Gods ontferming. Want om de mens in die verscheurdheid te helen, dáárvoor is Hij gekomen. Dat is de vrede die Hij is komen brengen, de vrede van het hart. Als een mens die innerlijke verscheurdheid tot op de bodem van zijn hart laat doordringen, dan zal gebeuren wat de apostel vandaag in zijn brief aan de Efeziërs schrijft: "Uw diepste wezen wordt machtig gesterkt door zijn Geest." De kracht van de liefde van Christus is in staat oneindig meer te volbrengen dan al wat wij kunnen vragen of bevroeden.
Jezus heeft die verscheurdheid beleefd tot op de allerdiepste diepte. "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Mt 27,46; vgl. Mc 15,34). Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest (Lc 23,46). Toen boog Hij het hoofd en gaf de geest" (Joh 19,30). Dat is de Geest die ons tot kracht gegeven wordt, wanneer wij onze laatste en diepste innerlijke verscheurdheid durven te aanvaarden, onder ogen durven te zien, en er aan durven te lijden tot verscheurens toe.