Eerste lezing: Efeziërs 2,12-22
Evangelie: Lucas 12,35-38
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Houdt uw lenden omgord en de lampen brandend!
Gedraagt u als mensen
die wachten op de terugkomst van hun heer,
die naar de bruiloft is,
om, als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen.
Gelukkig de dienaars,
die de heer bij zijn komst wakende zal vinden.
Voorwaar, Ik zeg u,
Hij zal zich omgorden
en hij zal hen aan tafel nodigen
en langs hen gaan om te bedienen.
Al komt hij ook in de tweede of derde nachtwake,
gelukkig zijn de dienaren die hij zo aantreft.
Homilie
In de eerste lezing zegt Paulus tot de christenen van Efese, die uit het heidendom bekeerd waren: "Bedenkt dat gij indertijd van Christus gescheiden waart, uitgesloten van de gemeenschap van Israël, onbekend met de belofte van het heil, zonder hoop en zonder God in de wereld." Dat Paulus dat nu net moet zeggen tot de inwoners van de Griekse stad Efese, die wel heidenen waren, maar bekend stonden om hun religiositeit, om hun godsverering. Ze hadden goden in hun midden. En van hen zegt Paulus: 'Jullie waren zonder god in de wereld.' Paulus wilde daar mee zeggen: 'Jullie hadden wel goden, maar de échte God hadden jullie niet. Die kunnen jullie alleen vinden in Israël.' Wij zouden zeggen: 'God is alleen in de Kerk te vinden. Daarbuiten is er geen God.' Ja, er zijn wel allerlei machten en krachten en goden, maar niet de ware, niet de enige, niet de echte, niet de God die Zich als God heeft gelegitimeerd, die zijn Naam te kennen heeft gegeven en zijn Zoon heeft gezonden. Die God was alleen in Israël, de Israëlieten hadden alleen de ware God en de anderen niet.
Maar het uitverkoren volk beleefde de uitverkiezing als iets exclusiefs, het sloot andere volken uit. Wij, de Joden, wel en de anderen niet. Gods bedoeling was nu juist: ál de volken, álle mensen insluiten. Dat ene volk moest door haar enigheid en uitzonderlijkheid duidelijk maken dat God van óns houdt als van zijn enige. Zoals ouders van hun enig kind, zoals Abraham van Isaäk, het kind van de belofte. Zoals de Vader houdt van zijn eniggeboren Zoon, zo houdt Hij van ons allemaal. Niemand wordt van zijn liefde uitgesloten. "Die twee werelden, heidenen en Joden, het uitverkoren volk en de andere volkeren, werden door Christus één gemaakt. Jezus heeft de scheidsmuur neergehaald en dat gebeurde door het kruis, door in zijn vlees, zoals Paulus het uitdrukt, de vijandschap te vernietigen, namelijk de wet der geboden met haar verordeningen." Wat was er dan zo verkeerd aan die wet dat er een einde aan gemaakt moest worden? De wet had als draagvlak een bepaald volk, het Joodse volk, en het Joodse volk had natuurlijk een eigen cultuur, een eigen eredienst, eigen gewoonten, en die werden in die wet ingeweven. Ging je over tot de God van de Joden, dan moest je ook worden als een Jood en hun gebruiken overnemen, bijvoorbeeld: kosjer eten, de besnijdenis, hun feesten en dergelijke. Je moest echt Jood worden. De Joden zeiden dat toch zelf tegen Pilatus? "We hebben een Wet en volgens die Wet moet Hij sterven, omdat Hij Zich voor de Zoon van God heeft uitgegeven" (Joh 19,7).
"Jezus heeft vrede gesticht door in zijn Persoon uit de twee, één nieuwe Mens te scheppen, en die beiden in één lichaam met God te verzoenen", en dát lichaam is de Kerk. Omdat wij, die in die Kerk zijn opgenomen door ons doopsel, daardoor thuis zijn bij God, "huisgenoten zijn van God", maakt dat de wereld buiten de Kerk tot een ballingschap, tot een verblijf in de vreemde, tot een gevangenschap. We kunnen het ook anders zeggen: zowel de wereld als de Kerk is een huis, maar in de Kerk wordt het als zodanig beleefd. Het is een huis dat in afwachting is van de Heer van dat huis. Hij lijkt ver weg. Hij is aanwezig op de wijze van afwezigheid. Maar Hij is er in de harten van de gelovigen door hun verlangen. Hij is in het huis van de schepping door het verlangen van de mensen die zijn komst verwachten. We zouden de geschiedenis van nu af aan kunnen zien als één lange nacht en het licht brandt in de harten van de gelovigen, die dat licht uitstralen zoals sterren aan het duistere firmament.
In dat huis van de Kerk heerst een feestelijke voorvreugde. De gelovigen zijn in afwachting van het hoogtepunt van de geschiedenis van het huis. Men doet er de dingen anders, ijveriger, meer met liefde; ieder heeft zijn taak, ze zijn één van hart, niemand gaat op in het aardse, in de zorgen, in zijn eigen gevoelens. Maar ook de Heer des huizes ziet vol verlangen uit naar de ontmoeting. Hij popelt van ongeduld om Zich met zijn bruid te verenigen. Hij is zelfs zo vol van verlangen om Zich met zijn bruid te verenigen, dat Hij niet heeft kunnen wachten. Hij verenigt Zich nu al met zijn bruid in het heilig Sacrament, in het Mysterie. Wij krijgen Hem bij wijze van voorproef, opdat wij in de duisternis en in de koudheid van onze wereld zouden kunnen volharden.
Dat we dát elke keer met verwachting en innerlijke vurigheid mogen beleven.