Eerste lezing: Efeziërs 4,7-16
Evangelie: Lucas 13,1-9
Inleiding
'Ik heb mijn schone dagen verroekeloosd en verdaan en kom, o Moeder, klagen bij U voortaan.' Wat een depressief geluid, zo klagend, moedeloos, neerslachtig. Dat was de dichter van dit lied ook, Guido Gezelle. Hij was geneigd tot moedeloosheid, tot neerslachtigheid, maar hij heeft dat kunnen dragen, hij is er niet in ondergegaan. Hij is niet ziek geworden van die inslag van zijn karakter, doordat hij bij moeder Maria een troost vond, een toevlucht, een moederhart. Zó vond hij een weerklank voor zijn zware hart.
Belijden wij dan eerst onze schuld, zoeken wij bij Maria de troost die zij alleen geven kan, om dit heilig Geheim goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd waren er bij Jezus enkele mensen
die Hem vertelden wat er gebeurd was met de Galileeërs,
van wie Pilatus het bloed
met dat van hun offerdieren vermengd had.
Daarop zei Jezus:
Denkt ge dat onder alle Galileeërs
alleen deze mensen zondaars waren,
omdat zij dat lot ondergaan hebben?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij u niet bekeert,
zult ge allen op een dergelijke manier omkomen.
Of die achttien die gedood werden,
doordat de toren bij de Silóam op hen viel:
denkt ge dat die alleen schuldig waren
onder alle mensen die in Jeruzalem woonden?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij niet tot bekering komt,
zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen.
Toen vertelde Hij deze gelijkenis:
Iemand had een vijgenboom die in zijn wijngaard geplant stond;
hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets.
Toen zei hij tot de wijngaardenier:
Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgenboom vruchten zoeken,
maar ik vind er geen.
Hak hem om! Waartoe put hij nog de grond uit?
Maar de man gaf hem ten antwoord:
Heer, laat hem dit jaar nog staan;
laat mij eerst de grond er omheen omspitten
en er mest op brengen.
Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht;
zo niet, dan kunt ge hem omhakken.
Homilie
Twee lezingen met twee werelden die ons daarin worden getoond. De eerste wereld die zich ontwikkelt vanuit Christus, een wereld die, zoals Paulus zegt, "tot eenheid komt in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte Man, tot de algehele omvang van de volheid van de Christus. Dat is de wereld van de Kerk, waarin wij groeien naar Christus toe. Hij is het hoofd, waaruit het hele lichaam kracht put; het bereikt zijn wasdom en bouwt zichzelf op in liefde." Het Lichaam van Christus wordt bezield door een goddelijk levensbeginsel, neergedaald van omhoog, zoals Paulus zegt. En dat goddelijke levensbeginsel, de heilige Geest, doet ons alle aanslagen overleven, alle verleidingen en alle bekoringen, het sluwe spel van mensen.
Dan is er nog die andere wereld, die wereld zonder Christus, die in zonde is gevallen en afstevent op een eindtijdelijke ramp. Jezus waarschuwt met: "Als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen", precies zoals die Galileeërs, die door de soldaten van Pilatus overvallen waren toen ze aan het offeren waren. De soldaten hebben het bloed van die arme Galileeërs vermengd met het bloed van hun offerdieren die ze bezig waren te slachten. Heiligschennis dus, ontwijding. Jezus geeft ook nog een ander voorbeeld als waarschuwing: "Als gij niet tot bekering komt, zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen" als die bewoners van Jeruzalem, toen de toren bij de Silóambeek ineenstortte en hen verpletterde.
De rampen die de mensheid overkomen door de natuur, door de geschiedenis, zijn een voorbode van die ene eindtijdelijke ramp die allen zal overkomen. Een allen en alles omvattende ramp, waar niemand zich aan kan onttrekken. De rampen zijn tekenen van de tijd waarin wij leven. Dit is weer een verhaal over de tijd van Jezus als een tijd van genade, als de tijd waarin Gods zon opgaat over slechten en goeden. Een tijd waarin geen oordeel geveld wordt, geen straf gegeven, maar een tijd van barmhartigheid. De rampen zijn een voorbode van de eindramp. Ze hebben een waarschuwingskarakter, ze geven aan waar het leven zonder Jezus op uitloopt. Rampen zijn dus machtige hulpmiddelen om mensen uit hun ik-bevangenheid los te maken, wakker te schudden uit hun dommel van valse zekerheid en veiligheid. In die tijd van de genade, in Jezus' tijd en in onze tijd, zijn het genademiddelen die ons naar God brengen, naar het oordeel, naar de eindtijd. En dat is helemaal het werk van God.
Maar zoals de Joden dachten, dreigde dat niet te werken, integendeel, want wie de ramp van nabij gadesloeg, werd niet wakker geschud, maar juist in zijn valse zekerheid bevestigd, want als je niet door die ramp getroffen werd, dan was dat een teken dat je goed hebt geleefd, dat je goed zat, dat je uitverkoren was. Daar slaan dan ook de woorden van Jezus op: "Denkt ge dat onder alle Galileeërs alleen deze mensen zondaars waren, omdat ze dat lot ondergaan hebben?" Ja, zo dachten ze toen. Ze dachten dat het 'boontje komt om zijn loontje' voor hun zondige levenswandel van God kwam. Gaat het iemand slecht, dan is dat er een teken van dat hij slecht heeft geleefd. En gaat het je goed, ontspring je de dans, dan is dat een beloning voor het goede leven dat je leidt. Mensen denken dat tegenwoordig ook nog wel eens. Worden ze ziek, dan vragen ze zich af: waaraan heb ik dat verdiend? Als je zo denkt, dan is de ramp geen les meer. Weg is de les, weg de weldadige relativering van aardse zekerheid, integendeel, het aardse welzijn wordt opgewaardeerd als een teken van Gods welgevalligheid. Maar er wordt tegenwoordig ook nog op een andere manier over gedacht. Niet de mensen die zoiets overkomt zijn zondaars, maar God wordt in het beklaagde bankje geroepen. Hoe kan Hij zoiets toelaten? Wij zijn toch goed. Op ons is niets aan te merken. Het moet toch ergens aan liggen, dus ligt het aan God. Hij zou het kunnen voorkomen, maar Hij doet het niet. Het is zijn schuld.
Wat is nu de goede reactie? De goede reactie is, dat we bij het zien van een ramp die andere mensen treft, door het noodlot, door de natuur, door de geschiedenis, dat beschouwen als een samenloop van omstandigheden. Het zou ons allemaal kunnen overkomen. En nog beter is de reactie die Jezus geeft: Het zou ons allemaal móeten overkomen. We hebben dat verdiend. Het zou met ons allemaal moeten gaan zoals met die vijgenboom in de wijngaard, die al drie jaar lang geen vrucht droeg. Omhakken, weg ermee, dat zou er met ons moeten gebeuren. Maar God is barmhartig! Het overkomt een enkeling, een kleine groep mensen, als een waarschuwing aan ons. Wij zijn net zo, maar wij mogen de tijd die ons gegeven wordt, gebruiken als een tijd van genade, een tijd van uitstel, van amnestie; we worden gespaard. Het is niet zomaar dat wij leven, dat we er recht op hebben, dat het zo moet blijven, nee, het had níet zo moeten blijven. Dat het niet zo blijft is een teken van genade. We worden gespaard om ons te bekeren. God keert Zich tot ons en wij, in de bekering, keren ons tot Hem.
Dat is wat er in iedere eucharistie gebeurt. Hij komt niet met een waarschuwing, met een ramp, maar Hij komt nu met Zichzelf, als voedsel voor onze arme hongerige zielen.