Dinsdag in de negenentwintigste week
           van het oneven jaar
Eerste lezing: Romeinen 5,12.15b.17-21  
Evangelie: Lucas 12,35-38


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Houdt uw lendenen omgord en de lampen brandend!
Gedraagt u als mensen
die wachten op de terugkomst van hun heer die naar de bruiloft is,
om, als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen.
Gelukkig de dienaars die de heer bij zijn komst wakende zal vinden.
Voorwaar, Ik zeg u:
hij zal zich omgorden en hij zal hen aan tafel nodigen
en langs hen gaan om te bedienen.
Al komt hij ook in de tweede of derde nachtwake,
gelukkig zijn de dienaars die hij zo aantreft.”

Homilie  

In de eerste lezing hoorden we Paulus in zijn brief aan de christenen van Rome zeggen: "Door één mens is de zonde in de wereld gekomen. … De fout van één mens bracht aan allen de dood. … Door toedoen van één mens begon de dood te heersen. … Eén fout leidde tot de veroordeling van allen. … Door de ongehoorzaamheid van één mens zijn we allen zondaars." Dat is toch niet rechtvaardig! Adam heeft gezondigd en de erfzonde wordt schuldeloos op anderen overgebracht. Wij allen moeten zuchten onder de schuld van één. Zo lijkt het hier, maar het is niet de bedoeling dat Adam het gedaan heeft en de anderen níet, want Paulus zegt ook: "Zo is de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben." De mensen zijn er mee doorgegaan. Dat is nu precies wat ieder mens in zijn eigen leven kan constateren: hij ziet anderen zondigen, hij ondergaat de invloed van de zonde van de anderen, van het kleine en het grote milieu, en vervolgens zondigt hij zelf ook op een gegeven ogenblik. Zo ging dat van vader op zoon, van moeder op kind, van geslacht op geslacht, dat was erfelijk en vandaar de erfzonde. Het is inderdaad bij Adam begonnen, dat moet gezegd worden. Niet dat de anderen niet hebben gezondigd, maar hij is de eerst verantwoordelijke.

Maar zoals het bij Adam begonnen is de verkeerde kant uit te gaan, zo is het bij Jezus Christus begonnen de goede kant uit te gaan. Wij hebben die beide Adams in ons. We zijn kinderen van de oude Adam en we zijn kinderen van de nieuwe Adam. Kinderen van de oude Adam zijn we in het niet voor onze verantwoordelijkheid durven uitkomen, in het niet zeggen: we hebben het gedaan. De Heer sprak tot Adam: "Hebt ge soms gegeten van de boom die Ik u verboden heb? De mens antwoordde: De vrouw die Gij mij als gezellin gegeven hebt, zij heeft mij van die boom gegeven en toen heb ik gegeten" (Gn 3,11.12). Bij hem krijgt de vrouw de schuld, of eigenlijk krijgt God de schuld, had Hij mij maar niet zo'n vrouw moeten geven als gezellin. Ik kan ook niet helpen dat U mij zo'n vrouw gegeven hebt. En hoe reageert de vrouw-mens? Dat is de vrouw van Adam, want Adam betekent: de mens. Zij is van hetzelfde soort in het schuiven van de schuld op een ander. "Daarop vroeg de Heer God aan de vrouw: Hoe hebt ge dat kunnen doen? De vrouw zei: de slang heeft mij verleid, en toen heb ik gegeten" (Gn 3,13).

Er niet voor uitkomen is inherent aan de zonde. Zondigen is zo iets verschrikkelijks, zo iets verwoestends, zo iets onterends, het wortelt in de oergrond van je bestaan, dat kun je gewoon niet zien, dat kun je gewoon niet toegeven. Je kunt het alleen zien in het licht van Gods barmhartige liefde, doordat Hij al dat kwaad, al die zonden op Zich genomen heeft en gedragen en zo vergeven. Nu kunnen wij het zien, het is zichtbaar geworden doordat Jezus aan het kruis is gestorven. Kijk naar het kruis, dan zie je de zonde. Wat het kwaad aanricht, kun je aan het kruis zien: Gods eniggeboren Zoon op zulk een wijze afgeslacht, onteerd. Maar aan het kruis kun je ook zien hoe God daarmee omgaat, hoe Hij het draagt wat Hem wordt aangedaan, met een alles duldende, alles dragende liefde, tot het uiterste.

In het evangelie van vandaag worden wij opgeroepen om waakzaam te zijn, om, als kinderen van de oude Adam met die neigingen in ons: het leven zelf in handen te nemen, ons niet door die zondige neigingen te laten leiden, maar ons door die andere neiging te laten leiden: het kwaad te willen dragen, tot het einde toe, tot in de tweede, derde nachtwake, tot de laatste nachtwake. Je ziet er niets meer in, maar je gaat door. En als dat dan helemaal gedragen is, dan zal Degene die je verwacht "Zich omgorden en Hij zal je aan tafel uitnodigen en langs gaan om je te bedienen." Waarmee? Met het hoogste teken van liefde: zijn zelfgave!