Donderdag in de negenentwintigste week
            van het oneven jaar
Eerste lezing: Romeinen 6,19-23  
Evangelie: Lucas 12,49-53


Inleiding  

God heeft de gebeden van de dochters en zonen van Israël verhoord, en daarmee heeft Hij ons verblijd. De engelen aanbidden God omdat ze door Hem geschapen zijn, en de mensen aanbidden God omdat ze door Hem geschapen én verlost zijn. De mens is van God. Toen er nog helemaal niets was, was je al van God, en toen de zonde zich tussen God en de mens inzette, de mens van God verwijderde, toen heeft de barmhartige liefde van God zich over hem ontfermd en is er dus opnieuw niets tussen God en de mens. Zo sta je aan het begin van het gebed: als schepsel van God en als verloste door God, als voorwerp van zijn barmhartige liefde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Vuur ben Ik op aarde komen brengen,
en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait.
Ik moet een doopsel ondergaan,
en hoe beklemd voel ik Mij totdat het volbracht is.
Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen?
Neen zeg Ik u, juist verdeeldheid.
Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn;
drie zullen er staan tegenover twee
en twee tegenover drie;
de vader tegenover de zoon en de zoon tegenover de vader;
de moeder tegenover de dochter
en de dochter tegenover de moeder;
de schoonmoeder tegenover haar schoondochter
en de schoondochter tegenover de schoonmoeder.”

Homilie  

Er zijn twee rijken, twee machtsgebieden waarvan de mens de invloed ondergaat, waardoor hij wordt beheerst. De heerschappij van de zonde en de heerschappij van wat Paulus de gerechtigheid noemt. Dat zijn onzichtbare machten en juist daarom zo geducht. Je kunt ze niet beheersen, je kunt er geen vat op krijgen, je kunt zelfs niet bevatten hoezeer die machten vat hebben op jou. De mens is altijd ondergeschikt, onderhorig, afhankelijk. Hij lijkt wel onafhankelijk, soeverein, mondig, geëmancipeerd, maar in feite is hij altijd afhankelijk. Hij staat in dienst van hogere heren, van onzichtbare machten.

Dat geldt evenzeer voor de mens van het iktijdperk. Hij is volledig geëmancipeerd, vrij van de machten van de traditie, Kerk, school, of staat, maar achter die machten waarvan hij zich heeft bevrijd, of zich bevrijd meent, zitten andere machten die hij niet ziet, maar die een greep op hem hebben die veel sterker is dan die van de zichtbare machten waarvan hij zich bevrijd heeft. Denken we maar aan de macht van de media: krant, televisie, radio, de publieke opinie, wat mén zegt, de trend, de politieke machten. Misschien is de mens nog nooit zo mondig geweest als nu en misschien is de mens nog nooit zo afhankelijk geweest als nu. Meer dan ooit wordt de mens in zijn denken gemanipuleerd. Neem bijvoorbeeld het gezin. Het gezin is niet meer de vrije ruimte waar de ouders in vrijheid de waarden van het geloof en van de humaniteit kunnen overdragen. Van alle kanten worden de kinderen, en ook de ouders zelf, beïnvloed door machten met andere waarden, met andere normen.

Maar er is ook nog een afhankelijkheid van een andere macht. De macht van een rijk dat ook inwendig is, precies zoals dat andere, maar dít inwendige rijk heeft zijn machtsgebied in het hart, waardoor je van binnenuit, vanuit je hart, wordt beïnvloed, waardoor je in vrijheid doet wat je uit jezelf, zonder die macht, nooit zou kunnen.

Dat is de macht waardoor Jezus Zich laat leiden wanneer Hij zegt: "Ik moet een doopsel ondergaan." Ik móet? Ja, want dat is niet een uitwendig moeten, ja ook wel, want het zijn ook de machten van de natuur en van de geschiedenis die Jezus naar dat doopsel brengen, maar die machten van de natuur en de geschiedenis worden vanaf een afstand bestuurd en geïntegreerd door een liefdesbeweging van binnenuit. Ook de mens kan op de belangrijkste momenten in zijn leven datzelfde ondergaan, en op zo'n moment zeggen: 'Ik weet dat ik dat móet doen', of 'dat ik dat móet zeggen'. Dat komt niet van buitenaf of omdat anderen dat tegen hem zeggen, of vanuit de traditie, of omdat het zijn aard is, of wat dan ook, maar dat komt daar vandaan waar de mens helemaal 'ik' is. Het komt helemaal van binnenuit, het is helemaal vrij. Zo wordt Jezus ook geleid door die macht van binnenuit, waar Hij de Zoon van de Vader is.

Ook dat vuur dat Jezus op aarde is komen brengen, is niet een uitwendig vuur, zoals dat vuur dat Jakobus en Johannes van de hemel wilden afroepen om de Samaritanen te verdelgen, omdat zij Jezus en de leerlingen niet wilden ontvangen omdat Jeruzalem het doel van hun reis was. Dat was een uitwendig vuur. "Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen om hen te verdelgen?” … “Maar Hij keerde Zich om en wees hen op strenge toon terecht" (Lc 9,54-55). Dat vuur is een verslindend, vernietigend vuur, maar Jezus is een ander vuur komen brengen, het vuur van de liefde, het inwendige vuur, het vuur van de heilige Geest. De heilige Geest die Zich in tongen van vuur neerzette op de hoofden van de apostelen, dat wil zeggen: de heilige Geest is de ziel van de Kerk, de liefde is de ziel van de Kerk, de liefde van God, van binnenuit.

Inwendig is ook de vrede waar Jezus het over heeft. Jezus zegt: Ik ben niet de vrede komen brengen, de uitwendige vrede, een leven zonder conflicten. Nee, Hij is een andere vrede komen brengen, de vrede tussen God en de mensen. Die heeft natuurlijk ook wel een uitwendig aspect, maar die begint in het hart. Dat de hemel, God, Zich verzoent met de aarde, met de mens. "Vrede op aarde onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft”, die Hij liefheeft (Lc 2,14). Het is een inwendige vrede, een vrede van het hart. Díe vrede is Jezus komen brengen, en dat vraagt Hij ook van zijn leerlingen. “Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste woord zijn: vrede aan dit huis!” (Lc 10,5). En ook het eerste woord van de Verrezene aan zijn leerlingen was: “Vrede zij u" (Joh 20,20).

Maar die vrede is niet onbelemmerd, die vrede wordt aangevochten in haar loop, en zo verdeelt zich de wereld in twee rijken met elk een eigen vrede: een hemels Rijk met een hemelse vrede en een duivels rijk met een valse vrede, een diplomatieke vrede, of een koude vrede, een valse rust.

Ons geloof is een geloof in God, die we niet zien, en het is een geloof in de gaven en krachten van God die we ook niet zien, maar die in al het zichtbare doordringt en van binnenuit bezielt, die een nieuwe loop, een restauratie van binnenuit tot stand kan brengen. Een Nieuw Verbond! Dat horen we dan ook altijd bij de consecratie: 'Dit is mijn Bloed van het Nieuwe Verbond, tot vergiffenis van de zonde.' Herstel van binnenuit, van God uit, die hart en nieren doorgrondt.