Vrijdag in de negenentwintigste week
           van het oneven jaar

Eerste lezing: Romeinen 7,18-25a  
Evangelie: Lucas 12,54-59


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot de menigte:
“Wanneer gij een wolk ziet opkomen uit het westen
dan zegt ge terstond: er komt regen; en zo gebeurt het ook.
En wanneer ge ziet dat er een zuidenwind waait, zegt ge:
het wordt gloeiend heet; en het gebeurt.
Huichelaars!
Van het beeld van land en lucht weet ge de juiste betekenis te bepalen,
maar waarom dan niet van deze tijd?
Hoe komt het dat ge niet uit uzelf de juiste gevolgtrekking maakt?
Wanneer gij met uw tegenpartij naar de overheid gaat,
doe dan onderweg nog moeite u van hem te bevrijden,
anders zou hij u wel eens voor de rechter kunnen slepen;
de rechter zal u aan de gerechtsdienaar overleveren
en de gerechtsdienaar zal u in de gevangenis werpen.
Ik zeg u:
Ge zult er niet uitkomen
voordat ge tot de laatste cent betaald hebt.”

Homilie  

Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade dat ik niet wil, doe ik wel. Dat is heel herkenbaar, maar het is moeilijk te accepteren dat de zonde in mij woont, bezit heeft genomen van mijn ik. Dat ík niet de handelende persoon ben, maar de zonde die in mij woont. Dat er een wet is die ervoor zorgt dat ik móet zondigen. "Een wet die mij gevankelijk uitlevert aan de heerschappij van de zonde over mijn daden." Woorden van Paulus. Goed te herkennen, maar moeilijk te verteren.

Toch is dit ons gewone geloof, ons rozenkransgeloof. Daar bidden we: 'Bid voor ons zondaars.' We bidden niet: bid voor ons mensen die zondigen, maar: bid voor ons mensen die zondaar zijn, die helemaal zonde zijn. En dat zeggen we keer op keer, alsof er van ons niets anders te zeggen valt. Ook aan het begin van de eucharistie, bij het Kyrië, zeggen we: 'Heer, ontferm U over ons.' Keer op keer: 'Heer, ontferm U over ons.' Bij de schuldbelijdenis: 'door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld.' Huichelen we als we aan het begin van de eucharistieviering vergeving vragen voor onze zonden? Spélen wij de zondaar? Nee, we huichelen juist als we denken dat wij rechtvaardige mensen zijn. We spelen de rechtvaardige, we hangen de rechtvaardige uit. We huichelen wanneer wij ons vereenzelvigen met ons mooie, correcte uiterlijk. En we huichelen niet, we zijn eerlijk, wanneer wij weten dat wij zondaar zijn. Je kunt wel zondige daden belijden en ze aan Gods barmhartigheid toevertrouwen, maar het zondig zijn zit daaronder en dat blijft mooi achter.

Je bent dus pas eerlijk als je ziet dat er een fundamentele onmacht is om jezelf te redden. Je kunt jezelf niet rechtvaardigen. Er bestaat geen zelfrechtvaardiging! Zoals Jezus ook Zichzelf niet heeft kunnen en willen redden. "Kom dan van het kruis af en red Uzelf" (Mt 27,40). Jezus heeft zijn redding overgelaten aan de Vader. En zo is het ook bij de mens van de nieuwe tijd, de tijd van Jezus, waarin met barmhartigheid op de mens wordt neergezien. God wil Zich met ons verzoenen.

In dit evangelie horen we dat Jezus daarvoor een beroep doet op de kennis van het weer, op de gesteltenis van het weer, en meer speciaal het weer in Israël. Er zijn daar in hoofdzaak twee weertypen, afhankelijk van de wind, vanuit welke hoek de wind waait. Komt de wind uit het westen, van de Middellandse Zee, dan komt er regen; komt de wind uit het zuiden, waar de woestijn ligt, dan wordt het heet en droog. En zo zijn er in het bovennatuurlijke, in de genadeorde, in de verhouding met God, ook twee weertypes, twee weersgesteldheden: het weertype van de gerechtigheid, van het oordeel, de crisis, de kritiek, dat je wordt geoordeeld naar je daden, en het weertype van de barmhartigheid, het uitstel van het oordeel, de amnestie, de vrijspraak, de vergiffenis.

Jezus zegt: nu is de lucht blauw, het is onbewolkt en de zon van Gods barmhartige liefde schijnt onbelemmerd. Gods aangezicht straalt. Maar tegen de huichelaar die denkt: ik heb geen barmhartigheid nodig; kijk mij eens, ik ben zo goed, aan mij ontbreekt niets, zegt Jezus: 'Pas maar op!' Nu is er nog gelegenheid om de barmhartigheid over je te laten komen. Straks is het te laat. Dan sta je voor het gerecht, en worden je daden getoetst aan de hoge normen van Gods waarachtige gerechtigheid, dan geldt het recht zoals dat in de tijd van Jezus was: hij liet hem in de gevangenis werpen met heel zijn gezin, vrouw en kinderen, hij leverde hem uit aan de beulen totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben (Lc 18,21-35).

Als die tijd aanbreekt is het uit met de barmhartigheid. Dan komt de tijd van het oordeel. Jezus is de eindtijd en de eindtijd is de oordeelstijd, maar nu is dat oordeel nog barmhartig. Nog is er amnestie mogelijk, nog kun je gratie krijgen, nu krijg je nog de gelegenheid om op een barmhartige wijze met je medemensen en hun zwakheden om te gaan, maar je moet wel een beroep doen op Gods barmhartigheid. Als je dat niet doet, zul je het slachtoffer worden van je eigen huichelarij. Je zult - zoals dat in die dagen was - er niet uitkomen, vóórdat je tot de laatste cent hebt betaald.

Die strenge taal past op het eerste gezicht niet zo in dat spreken over barmhartigheid. Jezus maakt reclame voor de barmhartigheid, maar Hij doet dat op strenge toon. Hij hanteert hier het stijlmiddel van de dreigrede. Jezus heeft niet de bedoeling ons te informeren over wat er in de toekomst gaat gebeuren, maar Hij wil ons nú tot bezinning brengen: 'Pas op, dat en dat gaat er gebeuren. Pas op, zodat het niet gebeurt.'
Een leraar zegt tegen een leerling die zich onmogelijk gedraagt: 'Straks vlieg je eruit', of 'straks zak je voor je examen'; hij doet daarmee geen voorspelling, maar probeert te voorkomen dat het zover straks zal komen.

Zo is het ook met Jezus' woorden over het oordeel in de hel. "Ik zeg u, dat velen uit het oosten en het westen zullen komen en met Abraham, Isaäk en Jakob zullen aanzitten in het Rijk der hemelen; maar de kinderen van het Rijk (dat is Israël) zullen buiten geworpen worden in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars" (Mt 8,11-13). Dat is geen voorspelling, geen voorzegging, maar een vermaning aan zijn gehoor om toch in te gaan op zijn uitnodiging te geloven en zich over te geven aan Gods barmhartige liefde nu er nog tijd is.

Niet verderf en verdoemenis wil Jezus aankondigen, maar Hij wil ons oproepen tot bekering en navolging. Ons geluk gaat Hem toch zo ter harte! Hij wil ons toch zo graag in de hemel hebben. Hij zou het verschrikkelijk vinden als wij ons eeuwig geluk zouden verspelen. Vandaar dat dreigement, dat het zover toch maar niet zal komen. Maar het komt er wél van, als je je nu niet overgeeft aan zijn barmhartige liefde.