Eerste lezing: Romeinen 8,1-11
Evangelie: Lucas 13,1-9
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd waren er bij Jezus enkele mensen
die Hem vertelden wat er gebeurd was met de Galileeërs,
van wie Pilatus het bloed met dat van hun offerdieren vermengd had.
Daarop zei Jezus:
Denkt ge, dat onder alle Galileeërs alleen deze mensen zondaars waren,
omdat zij dat lot ondergaan hebben?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen.
Of de achttien die gedood werden, doordat de toren bij de Silóam op hen viel:
denkt ge dat die alleen schuldig waren onder alle mensen die in Jeruzalem woonden?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij niet tot bekering komt zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen.
Toen vertelde Hij deze gelijkenis:
Iemand had een vijgenboom die in zijn wijngaard geplant stond;
hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets.
Toen zei hij tot de wijngaardenier:
Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgenboom vruchten zoeken,
maar ik vind er geen.
Hak hem om. Waartoe put hij nog de grond uit?
Maar de man gaf hem ten antwoord:
Heer, laat hem dit jaar nog staan;
laat mij eerst de grond er omheen omspitten en er mest op brengen.
Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht;
zo niet, dan kunt ge hem omhakken.
Homilie
Eergisteren hoorden we van Paulus: "Als ik doe wat ik eigenlijk niet wil, ben ik niet meer de handelende persoon, maar de zonde die in mij woont" (Rom 7,20). Hij geeft hiermee aan dat de zonde een objectieve macht is die je overal kunt tegenkomen, die zich overal manifesteert, maar het is ook een subjectieve macht die in jezelf zit. Ergens binnen in de mens zit hij. Dat geldt niet alleen voor de zonde, maar dat geldt in een nog veel sterkere, intensievere mate voor het Rijk van God. Het Rijk Gods is niet hier of daar, zegt Jezus, het is niet ergens buiten ons. Het Rijk Gods is in ons, in u. Het Rijk Gods heeft een beginsel in ons: de heilige Geest. Dat heeft u vandaag verschillende keren in de eerste lezing horen zeggen. "Maar uw bestaan wordt niet beheerst door het vlees doch door de Geest, omdat de Geest van God in u woont."
Dat kan van de satan niet gezegd worden, dat hij in ons woont. Hij heeft wel een handlanger in ons: het vlees, de zelfzucht is zoveel als zijn bruggenhoofd. Daarover heeft sint Paulus het vandaag. "Zij die leven volgens het vlees, zinnen op wat het vlees wil, en: Die geleid worden door de Geest zinnen op de dingen van de Geest."
Vlees! Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Vlees is: ikbeweging, ikzucht bij iets kwaads dat je in de zin hebt, maar het kan ook voorkomen bij iets goeds. Goed of kwaad, als ons 'ik' daarbij niet op God geordend is, maar op onszelf, dan speelt onze ikzucht de grootste rol. Dat is het vlees. En de geest is ook niet zonder meer goed, doet niet zomaar het goede, maar goed is iets als daarbij de geest op God geordend is; het is dát wat iemand meeneemt in een beweging naar God toe. Troost is bijvoorbeeld een werking van de goede geest. Ignatius noemt vertroosting: 'wanneer er in de ziel een inwendige beweging wordt veroorzaakt waardoor de ziel ertoe komt zich te ontvlammen in liefde voor haar Schepper en Heer. En vervolgens: wanneer zij niets van wat op het aanschijn van de aarde is geschapen in zichzelf kan beminnen, maar enkel in de Schepper van dat alles' (GO nr. 316).
Dat houdt in dat wat door God geschapen is, niet opgenomen wordt in een beweging naar de schepping toe, naar mijzelf toe, maar wordt opgenomen in een beweging naar die oorspronkelijke drift van al het geschapene, naar de Schepper toe. Zo kan de Geest de gelovige door alles heen naar God brengen. Zowel door het goede, als door het kwade. Het kwade, rampen bijvoorbeeld. Rampen kunnen machtige hulpmiddelen zijn om mensen uit hun ikbevangenheid los te maken, wakker te schudden uit hun dommel van valse zekerheid en veiligheid. Er ontstaat rond een ramp een geweldige emotie, maar er ontstaat rond een ramp ook altijd een wolk van heilige Geest, waardoor mensen uit hun ikbevangenheid worden wakker geschud en hun zielen, hun harten opstijgen naar God.
In de tijd van de genade, de tijd waarin wij leven, zijn rampen genademiddelen die ons naar God toebrengen, naar het oordeel, naar de eindtijd. Ook in de tijd van de Jezus was dat zo, maar de Joden zagen dat anders. Wie in Jezus' tijd een ramp van nabij gadesloeg, werd niet wakker geschud uit zijn dommel, uit zijn zelfgenoegzaamheid, maar werd er juist in bevestigd, want wie niet zelf door die ramp getroffen werd, was geen zondaar. Zo dachten ze in die tijd. Het was een teken dat je goed zat. Dat je uitverkoren was. Van díe denkwijze probeert Jezus de Joden te bevrijden naar aanleiding van wat enkele mensen Hem vertelden over wat er gebeurd was met de Galileeërs. "Pilatus, die het bloed van enkele Galileeërs had vermengd met dat van hun offerdieren. Dat was moord, erger nog, het was heiligschennis. Daarop zei Jezus: Denkt ge, dat onder alle Galileeërs alleen deze mensen zondaars waren, omdat zij dat lot ondergaan hebben?" Ja, dat dachten ze, want zoiets overkomt je omdat je gezondigd hebt. Als straf van God voor een zondige levenswandel. Gaat het je slecht, dan is dat een teken dat je slecht geleefd hebt, dat was de algemene regel. Gaat het je goed, ontspring je de dans, dan is dat de beloning voor een goed leven. Weg is de weldadige relativering van aardse zekerheid, integendeel: het aardse welzijn wordt gewaardeerd als een teken van Gods welgevalligheid.
"Of de achttien (mensen) die gedood werden doordat de toren bij de Silóam op hen viel: denkt ge dat die alleen schuldig waren onder alle mensen die in Jeruzalem woonden? Ja, dat dachten ze. En dan zegt Jezus nota bene: Als gij niet tot bekering komt, zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen." Allen? Wat zal dát voor een ramp zijn? Dat is het Laatste Oordeel! Het is het oordeel waar alle mensen aan onderworpen zullen worden. Maar wat is dan het motief, de schuld? Waarvan worden zij dan beticht? Van slecht gedrag, zonden, verkeerde daden, verkeerde keuzes? Dat ze zich hebben laten leiden door zelfzucht? Nee, dat niet. Hun schuld is dat ze niet geloofd hebben in Jezus als de bode van God, door wie God Zich met de mensen wil verzoenen; dat ze niet hebben willen geloven dat God juist níet straft, maar dat Hij barmhartig is.
Wat er aan kwaad gebeurt kan weliswaar een straf voor de zonden genoemd worden, maar mag niet gezien worden als een uitdrukkelijke strafactie van God. Het kwaad is een gevolg van de zonde. Het kwaad straft zichzelf. En Jezus wil nu juist verkondigen dat de barmhartigheid heerst boven het kwaad. Daarom eindigt dit evangelie dan ook met de parabel van de vijgenboom zonder vrucht. Eigenlijk moet hij omgehakt worden, waarom put hij de grond nog uit? Eigenlijk dient de mens die niet gelooft, die zonder vrucht is - die niet in Jezus is - gedood te worden. Maar Jezus zegt: 'Wees geduldig en barmhartig.' "Laat hem dit jaar nog staan."
Wij leven in de tijd van de genade, zelfs van genade voor genadeloze mensen, die niet geloven in de barmhartigheid en de barmhartigheid ook zelf niet praktiseren. Ook zij krijgen nog tijd om zich te bekeren.