Eerste lezing: Genesis 31,3-4.12-13a.17b-28
Evangelie: Matteüs 21,33-43.45-46
Inleiding
'Ik ben uw God, gij zijt mijn volk,' hebben we in het intredelied gehoord. Het is als een twee-eenheid. God, die zo hoog boven de mensen staat, belooft Zich in een verbond nauw met hen te verenigen, ofschoon zij zich van Hem hebben afgewend, ofschoon zij andere goden zijn gaan aanhangen, ofschoon zij Hem de rug hebben toegekeerd en aan andere goden de voorkeur hebben gegeven boven Hem. Hij verenigt Zich met ons mensen, opdat het dan weer goed zou worden, ja, dat het dan weer beter zou worden dan het ooit is geweest. Hij is niet alleen onze Schepper, maar ook onze Verlosser. Dat die eenheid zulke vormen kan aannemen, zoals we die hier nu gaan beleven, komt omdat Hij inderdaad zijn Lichaam geeft, zijn Bloed. Daardoor worden wij in zijn Lichaam opgenomen, in zijn zelveloze liefde, in het geheim van de goddelijke Drie-eenheid.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd sprak Jezus
tot de hogepriesters en de oudsten van het volk:
Luistert naar een andere gelijkenis:
Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde;
hij zette er een heining omheen,
hakte een wijnpers erin uit
en bouwde een wachttoren.
Daarop verpachtte hij hem aan wijnbouwers
en vertrok naar den vreemde.
Toen de tijd van de oogst gekomen was,
zond hij zijn dienaars naar de wijnbouwers
om de opbrengst in ontvangst te nemen.
Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaars vast.
Zij mishandelden de één,
doodden de ander en stenigden een derde.
Daarop zond hij andere dienaars,
talrijker dan de eersten;
maar zij behandelden hen op dezelfde manier.
Tenslotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe,
in de veronderstelling
dat zij zijn zoon wel zouden ontzien.
Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen,
zeiden zij onder elkaar:
Dat is de erfgenaam;
vooruit, laten we hem vermoorden
en ons zijn erfenis toe-eigenen.
Zij grepen hem vast,
wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem.
Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt,
wat zal hij dan wel met die wijnbouwers doen?
Zij antwoordden Hem:
Hij zal die ellendelingen een ellendige dood doen sterven
en zijn wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers verpachten
die hem de opbrengst op de vastgestelde tijd zullen afdragen.
Toen sprak Jezus tot hen:
Hebt gij nooit in de Schrift gelezen:
De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd,
is juist de hoeksteen geworden.
Op last van de Heer is dat gebeurd
en het is wonderbaar in onze ogen.
Daarom zeg Ik u:
het Rijk Gods zal u ontnomen worden
en gegeven aan een volk
dat wel de vruchten daarvan opbrengt.
Toen de hogepriesters en Farizeeën
zijn gelijkenissen gehoord hadden,
begrepen ze dat Hij over hen sprak.
Zij zonnen dus op een middel om zich van Hem meester te maken,
maar ze waren bang voor het volk,
omdat men Hem voor een profeet hield.
Homilie
Vandaag gaat het in de lezingen over twee zonen, twee lievelingszonen: Jozef, de zoon van Israël of Jakob, en Jezus, de geliefde Zoon van de hemelse Vader. Beiden ondervinden eenzelfde soort behandeling en nog wel van de kant van hun broeders. Dat is het pijnlijkste. Wat je ondervindt van een buitenstaander, een vreemde, kan pijnlijk zijn, kan hatelijk zijn, maar het komt niet zo dicht bij je hart. Je hebt er niet zoveel mee als met je eigen vlees en bloed. Hier worden beiden door hun broeders uitgestoten, ja, verkocht.
Het eerste verhaal gaat over Jozef, u weet hoe het hem vergaan is (Gn hoofdstuk 37 en 39 tot 46). Juist Jozef, die verkocht en verraden was, werd later de beschermheer van zijn broeders in Egypte, als voorafbeelding van die andere lievelingszoon: Jezus. "De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden" (Mt 21,42; Mc 12,10; Lc 20,17, naar Ps 118,2). Hij is onze beschermheer geworden. Dat is geschiedenis en wel te verstaan: heilsgeschiedenis, in de zin van: zo is het heil geschied, heil uit onheil, en zo geschiedt het steeds opnieuw. Het is een uitleg van ons eigen bestaan, een beeldverhaal waarin wij de tekst van ons eigen leven kunnen lezen. Zo zal het ook met ons gaan. Maar nu we het verhaal van Jozef en Jezus kennen, zullen wij er niet zo van schrikken wanneer ons een bepaalde vorm van onheil overkomt, bijvoorbeeld als wij worden uitgestoten, monddood gemaakt, of als we in de put zitten, of de grond onder onze voeten voelen wegzinken. Op zo'n moment is het goed geen eigen oplossingen te forceren, maar onze ogen te openen voor de weg van het geloof.
Het is een wonderbaarlijke weg, een wonderbaarlijke uitweg die de Heer ons wijst, het is de weg van het slachtoffer. Dat is een dwaze weg. Maar de wijsheid van God is dwaasheid in de ogen van de mensen. Dwaas is het wat die landeigenaar doet. Geen heer zou handelen zoals hij, na zoveel bewijzen van ontrouw, onbetrouwbaarheid, gemeenheid. Hij gaat niet alleen door met vertrouwen te geven, maar geeft ook nog zijn allerhoogste blijk van vertrouwen: zijn zoon, in de veronderstelling dat ze die wel zullen ontzien. Het is de dwaasheid van God die, zoals Paulus zegt, "zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard (Rom 8,32). Het is de dwaasheid van de liefde: Zozeer heeft God ons lief gehad."
In het heilig Sacrament, dat hier altijd bij deze gemeenschap (de zusters van priorij Nazareth) in het midden staat, gaat God op diezelfde lijn door met zijn innigste onderpand aan de mensen af te staan. Hij weet wat de mensen ermee doen. Uw roeping is: dit weten met Hem delen! Dat noemen we: eerherstel brengen voor de ontrouw en vijandigheid van de mensen, en daarbij natuurlijk ook voor onze eigen ontrouw.