Zaterdag in de tweede week
  van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Micha 7,14-15.18-20  
Evangelie: Lucas 15,1-3.11-32


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd kwamen telkens weer tollenaars
en zondaars van allerlei slag
bij Jezus om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
“Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En hij verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had,
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij één der inwoners van dat land,
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten
in overvloed,
en ik verga hier van de honger.
Ik ga weer naar mijn vader en zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten,
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen,
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe, viel hem om de hals
en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechts:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger
en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het;
laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood
en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde,
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechts
en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde:
Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten,
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam
en bij hem aandrong,
gaf hij zijn vader ten antwoord:
al zoveel jaren dien ik u
en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is gekomen
die uw vermogen heeft verbrast
met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde de vader:
Jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is,is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was
en levend is geworden,
verloren was en is teruggevonden.”

Homilie    

"Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb” … “Vader, ik heb misdaan…" Vader dit, vader dat. Het is allemaal vader wat de klok slaat. De vader neemt een centrale rol in in dit evangelie, in de geschiedenis van het mensdom, in ons aller leven. Het draait allemaal om de vader, en voor de vader draait alles om zijn kinderen. Deze kinderen, over wie het vandaag gaat, ervaren dat als negatief, zij hebben een negatieve relatie met hun vader. De jongste zoon loopt zelfs van hem weg. "Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.” … “Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land." En áls hij dan terugkeert, keert hij niet terug naar zijn vader, maar naar de werkgever in de vader die een rechtvaardig loon betaalt. "Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed." Daar gaat het om, niet om het hart van zijn vader, maar om zijn eigen buik. Hij schrijft zichzelf af als kind van de vader. In onze dage zou hij zich laten uitschrijven uit de Kerk. Eigenhandig snijdt hij de levende band met zijn vader door. "Vader, ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners." Niet als kind keert hij terug, maar als slaaf, want die hebben eten in overvloed. Daar gaat het kennelijk om. Teruggekomen bij zijn vader, is hij toch niet thuis.

Zo is het ook met de oudste zoon. Hij is wel thuis gebleven, maar hij was niet thuis in het hart van zijn vader, want zijn hart lag bij zijn vrienden, met wie hij graag feest wilde vieren. Hij deed zijn werk als plicht, het was voor hem één lange monotonie van het harde boerenleven, maar zijn hart ging verlangend uit naar de vrijheid, het vrije leven van zijn jongere broeder. Dat had hij ook maar wat graag gewild. Nee, zijn hart was zeker niet bij zijn vader, dat was het waarschijnlijk nooit geweest, en zeker nu niet.

"Nu die zoon van u is teruggekomen." Hij heeft het niet over 'mijn broer', nee: 'die zoon van u'. Wat een verachting, wat een afstand, wat een onverwerkt leed schuilt er in dat woord! Het wil er bij hem niet in, de manier waarop zijn vader de jongste zoon inhaalt. Hij wil niet naar binnen, niet het huis in, maar vooral niet naar binnen in het hart van zijn vader. Hij wil de gevoelens van diens hart niet delen.

De vader is steeds dezelfde, hij neemt het initiatief. Is er verwijdering, hij overbrugt. Is er vijandigheid, hij verzoent. "Zijn vader zag hem al in de verte aankomen." Hij stond al op de uitkijk. Hij wachtte niet af tot zijn zoon bij hém was, maar hij ging hem zélf tegemoet. Hij nam zélf het initiatief vanuit zijn hart. Hij werd door medelijden bewogen.

Medelijden, misericordia, dat woord bestaat uit twee delen: 'miserie', dat betekent 'ellende', en 'cor' 'hart'. De ellende, de morele ellende van de jongen neemt hij in zijn ogen op en deze daalt neer in zijn hart. "Hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk." Geen woord van verwijt, maar een versmelting; geen woord, maar een gebaar, een gebaar van totale eenwording. Dat spreekt boekdelen, meer dan woorden ooit kunnen uitdrukken. Tot zijn knechten zei hij: "Haalt vlug het mooiste kleed, steekt hem een ring aan de vinger en trekt hem sandalen aan.” En om het compleet te maken: “slacht het gemeste kalf,” dat bewaard werd voor de feestelijke gelegenheden van het jaar. Nu is het feest. Nu is het Pasen. “Deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden."  

Zoals de vader bij zijn jongste zoon reageert en handelt, zo doet hij dat ook bij de oudste zoon. Deze wilde niet naar binnen, en dat was ook niet nodig, want de vader kwam al naar buiten. Opnieuw neemt de vader het initiatief. Hij probeert op het hart van zijn jongen in te spelen, op zijn hart in te werken: "Jongen, jij bent altijd bij mij en alles wat van mij is, is ook van jou." Alles? Ja, want dat is de liefde, de Geest van liefde, de heilige Geest. Die geeft de Vader ongevraagd en van zijn kant is Hij altijd bij ons met zijn heilige Geest. Het is een herstel van relatie en daar komt Hij niet op terug, ook niet als mensen er erg moeilijk over doen. Hij omkleedt ons met het feestkleed van de genade, van het kindschap Gods, en Hij laat niet toe dat wij ons vergrijpen aan zonden.