Donderdag in de tweede week
  van de Veertigdagentijd
    Heilige Petrus Damianus, bisschop en kerkleraar


Eerste lezing: Jeremia 17,5-10 [I 108];
Evangelie: Lucas 16,19-31 [I 109]


Inleiding  

De heilige Petrus Damianus, bisschop en kerkleraar in de elfde eeuw, had een jeugd die je niemand zou toewensen, ook je grootste vijand niet. Hij was wees en werd door zijn broer, die hem de varkens liet hoeden, tot en met gepest. Hij heeft in die nood van zijn kinderjaren een Ander leren kennen, zoals die gelovige van het lied dat wij zo even zongen: 'Gij bereidt voor mij een tafel voor het oog van mijn vijand. Gij zalft met olie mijn hoofd. Mijn beker vloeit over' (Ps 23). Diep in het dal, in het donkere dal van zijn ellendige jeugdervaringen is hij een Ander tegengekomen, heeft een Ander Zich over hem ontfermd. Dat was de grondslag van zijn geestelijk leven.
We beginnen in rustige wateren. Dan is God nog een 'Hij' voor ons. 'Hij leidt mij naar grazige weiden, geeft rust aan mijn ziel. Hij leidt mij naar rustige wateren.' Dan is God nog meer op een afstand. Niet dat God ver weg is wanneer het leven een rustige baan opgaat, maar wij zijn dan ver weg van Hem. Wanneer de nood aan de man komt, donkere dalen, haat, vijanden, dan gaat de mens open voor God en merkt hij dat God nabij komt in een persoonlijke ervaring. Dan wordt God voor ons een Gij, U; 'Gij nodigt mij aan uw tafel, met olie zalft Gij mijn hoofd.' Zo mag het ook gebeuren in elke eucharistie. Eerst spreekt God zijn woord nog van een afstand, maar als we ons door het woord laten brengen in zijn Hart, ontfermt Hij Zich over ons en geeft Hij ons Zichzelf.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën:
“Er was eens een rijk man die in purper
en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde,
terwijl een arme, die Lazarus heette,
met zweren overdekt voor de poort lag.
Hij verlangde er naar zijn honger te stillen
met wat bij de rijkaard van de tafel viel.
Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likten.
Nu gebeurde het dat de arme stierf
en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen.
De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis.
In de onderwereld ten prooi aan vele pijnen,
sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham,
en Lazarus in diens schoot.
Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij
en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen
en mijn tong daarmede te komen verfrissen,
want ik word door de vlammen hier gefolterd.
Maar Abraham antwoordde:
Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven
uw deel van het goede hebt gekregen
en op gelijke manier Lazarus het kwade;
daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting,
maar wordt gij gefolterd.
Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof,
zodat er geen mogelijkheid bestaat,
zelfs als men het zou willen,
van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen.
De rijke zei: Dan vraag ik u, vader Abraham,
dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen,
want ik heb nog vijf broers;
laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens
in deze plaats van pijniging terecht komen.
Maar Abraham sprak:
Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren.
Maar hij zei: Och neen, vader Abraham!
Maar als er een uit de doden naar hen toegaat,
zullen ze zich bekeren.
Hij echter sprak tot hem:
Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren,
zullen ze zich ook niet laten overreden,
als er iemand uit de doden opstaat.”

Homilie    

“Een rijk man in purper en fijn linnen gekleed, iedere dag uitbundig feestvierend en een arme die Lazarus heette en met zweren overdekt voor de poort lag."
Het is een tegenstelling. Tegenstellingen die in onze wereld niet meer voorkomen. Wij hebben hier geen schrijnende armoede of provocerende rijkdom. De zeer rijken worden door de belasting kunstmatig klein gemaakt. Ze moeten zeventig procent van hun inkomen inleveren bij de belasting ten behoeve van de armen en kleinen. Toch zijn die tegenstellingen er wel, maar dan op wereldformaat. Ons en uw eenvoudigste ontbijt, zelfs in de veertigdagentijd, is een feestmaaltijd voor de armen in een ander deel van de wereld.

Maar armoede in die strikte zin wordt door ons niet meer ervaren. Zelfs in het klooster is het moeilijk. Ieder krijgt voldoende om van te leven. Maar als je een beetje bent ingeburgerd en je komt eens iets te kort, dan ga je dat voelen, en dan voel je je arm. Er is een kloof tussen dit hebben en het niet hebben, tussen anderen die wel hebben en ik die het niet heb. Of als iemand wordt overgeslagen in de bedéling, geen aandacht krijgt, geen eer, juist dan gaan die zinnen des te sterker werken. Aanvankelijk zijn ze allemaal gelijk. Gelijke monniken, gelijke kappen. Maar na een tijdje ga je zien wat een grote verschillen er onder die gelijke kappen zitten en dat kan een reden worden voor afgunst. Net als in de wereld. De armen benijden de rijken.

In het eigen hart heb je eigenlijk ook van die tegenstellingen. Tegenstelling tussen rijk en arm. Een rijk gevoel en een arm zelfbesef. Er kunnen zich in je levensgeschiedenis dingen hebben voorgedaan, moeilijke, pijnlijke situaties, waarbij wonden werden opgelopen, soms zonder dat er aan de buitenkant iets van te merken was. Dan gebeurt met die pijn en dat verdriet en die ellende wat er ook met de arme Lazarus gebeurde op de stoep: weg ermee, uit het zicht halen, zodat niemand het ziet en je het zelf ook niet voelt. Ze liggen daar voor de poort van je ziel, ze liggen opgesloten in je hart en wat de rijke vrek deed met Lazarus, dat doet de gezonde mens, of de volwassen mens met zijn trauma's.

Het evangelie van vandaag zegt: die arme heeft een naam en wel een naam bij God: Lazarus, hetgeen betekent 'God helpt', zoals wij vandaag de viering begonnen zijn: 'God, kom mij te hulp. Heer, haast U mij te helpen.' De rijke man heeft geen naam. En als die rijke bij de hemelpoort aanklopt, wordt er niet opengedaan. Dan krijgt hij te horen: Ik ken u niet. Hij is naamloos, hij wordt niet bij name gekend.

In het gebed van de rijke is geen vertrouwelijkheid. In het gebed is het leeg, kaal. Dat is dan ook de situatie die de rijke zoveel mogelijk probeert te ontlopen. Hij kent geen andere geborgenheid dan bij de mensen, zoals deze rijke man bij zijn relaties, zijn rijke gasten. Maar als het gezelschap na het feest naar huis is, blijft hij alleen achter, en zint alweer op het volgende feestmaal. Vandaar dat hij, bij gebrek aan echte gezelligheid, bij gebrek aan echte innerlijke geborgenheid, iedere dag een feestmaal geeft.

Eigenlijk is de situatie van het gebed armoede in topformaat, want wat heb je nu bij het gebed? Je zit daar met je handen in de schoot. Je probeert misschien wat gedachten te verzamelen, maar die worden dan weer doorschoten met allerlei verstrooiingen. Gevoelens zijn er al helemaal niet, voorstellingen kun je ook niet maken, want God is onvoorstelbaar. Elke poging om er iets van te maken, lijkt op het opfladderen van een uit het nest gevallen vogeltje.
Als je dat nu wilt aannemen, als je daar nu niet van wegloopt, bijvoorbeeld door een meditatieboek te pakken met mooie gedachten, of door je gebed te bekorten, of door met je verstrooiingen aan de haal te gaan. Als je dat nu probeert te doorstaan, dan leef je in die woestijn, dan moet je wel met je wortels de diepte in naar het water, naar de heilige Geest, de zoete Gast van je ziel. Bij Hem is voedsel, bij Hem is leven, hét levenwekkende water waarin die struik uit de eerste lezing geplant stond.
Dan kun je die levenshouding van niet opgaan in je gevoelens en je gedachten voortzetten in de tijd na het gebed, in de omgang met elkaar, in je werk. Dat je niet op je eerste gevoelsopwellingen ingaat, maar eerst inkeert in jezelf en contact zoekt met de diepere lagen van je hart, met Hem die daar als in een tempel aanwezig is.
We mogen dan ook in iedere eucharistie met Hem meemaken dat we zo door lijden en dood heengaan, en het ware leven krijgen.