Vrijdag in de tweede week
 van de Veertigdagentijd
                              Sint Petrus' Stoel

Eerste lezing: 1 Petrus 5,1-4 [IV12]
Evangelie: Matteüs 16,13-19 [IV13]


Inleiding  

Feest van Sint Petrus Stoel, leerstoel, cathedra, leerambt, het hoogste leerambt. De leer van de Kerk wordt door een persoon tegenwoordig gesteld in zijn ambt. Dit feest van Sint Petrus Stoel heeft niet alleen een overdrachtelijke betekenis, als feest van de leerstoel, het leerambt. Een tijdlang heeft het ook een letterlijke betekenis gehad: een gewone stoel. Dat gaat terug op een gebruik bij de oude Romeinen om op de verjaardag van iemands overlijden een stoel bij zijn graf te plaatsen om zo die persoon tegenwoordig te stellen. Zoals de zusters nog steeds de gewoonte hebben, wanneer er een medezuster overleden is, haar stoel in de refter zes weken lang open te houden, op deze wijze is die zuster dan nog aanwezig.
Twee-entwintig februari zou dus de sterfdag van Petrus moeten zijn, of de dag van zijn begrafenis, maar dat zal, zoals gebruikelijk in die tijd, wel op dezelfde dag gebeurd zijn. De Kerk vierde in de oude tijden dat Petrus op deze dag voor de hemel geboren werd.
Heel diep onder de basilica, de Sint Pieter, waar het graf van Petrus is aangetroffen, vond men de resten van zijn lichaam, toegedekt met tegels en daarbij ook resten van een stoel. Die Petrus Stoel is dus iets heel ouds, maar ook iets heel armzaligs, vermolmde resten. Hij, een armzalige visser, die daar uit Bethsaïda in Rome is verzeild geraakt en terechtgesteld,  wordt gevierd als de bezetter van de leerstoel, het hoogste ambt. Arme christenen hebben met hun handen het graf uitgegraven - dat kun je zien - en weer dichtgemaakt. Ze hebben daar een dodenmaal gevierd, iedere keer met de verjaardag van zijn sterven en met die lege stoel zijn tegenwoordigheid aangeduid. En nu staat daarboven die prachtige Sint Pietersbasiliek. Die twee: menselijke zwakheid en goddelijke kracht en praal, dat is ons heilig geloof, zoals we het hier vieren, zoals we het elke keer horen, het armzalige woord en daarin God zelf, zijn zelfgave in het brood.

Het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs


Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was,
stelde Hij zijn leerlingen deze vraag:
“Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?”
Zij antwoordden:
“Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia,
weer anderen Jeremia of een van de profeten.”
“Maar gij, sprak Hij tot hen, wie zegt gij dat Ik ben?”
Simon Petrus antwoordde:
“Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.”
Jezus hernam:
“Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona,
want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard,
maar mijn Vader die in de hemel is.
Op mijn beurt zeg Ik u:
Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen
en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen
en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn
en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn.”

Homilie  


Hoe presenteert Petrus zich in zijn brief die in de eerste lezing werd voorgelezen? "De oudsten onder u vermaan ik, oudste evenals zij, en getuige van het lijden van Christus, tevens deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden." Getuige van het lijden en van de heerlijkheid. Lijden en heerlijkheid, uit die twee bestanddelen bestaat ons geloof.

Dat was wat Petrus beleed: hij zag Jezus voor zich, een mens. "Wie is volgens de opvatting van de mensen de Mensenzoon?" En hij beleed wat daar ver, ver boven Johannes de Doper, Elia, Jeremia of een van de profeten uit gaat: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God", in wie God zelf hier levend voor ons tegenwoordig is. Uit die twee elementen bestaat ons geloof. Iets armzaligs, iets eenvoudigs, iets kleins, iets machteloos, een mens van vlees en bloed. Zoals Petrus te horen krijgt van Jezus: "Niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is", Hij is het die spreekt door jouw mond, Hij heeft je hart bewogen met de vinger van zijn rechterhand, de heilige Geest.

Uit die twee elementen bestaat ook de Kerk. Wat zegt Jezus over Petrus? Die armzalige mens, zoals hij in dat armzalige graf werd neergelegd, die zo wankelmoedig was, makkelijk te beïnvloeden, een hazenhart, wat zegt Jezus over deze wankelmoedige mens? Rots, Petrus, een kei van een man! Dat was hij dus niet zelf, hij werd daarmee bekleed. Hij heeft een rotsambt en daarop rust de Kerk. In dit geheim van Petrus, wankelmoedig mens én rots, mogen we onszelf zien, ons eigen geheim, we zijn heel zwak, klein, machteloos, kwetsbaar, maar het begin is er, het armzalige begin in verborgenheid, het mosterdzaadje dat al de heerlijke ontplooiing in zich draagt, het doel waarheen het op weg is, een dynamisch gebeuren, het begin daarvan ligt al in ons hart.
Dat is wat wij hier vieren: brood en wijn, een armzalig beetje, symbool van onze kleinheid, worden bekleed, getranssubstantieerd, van zelfstandigheid veranderd, in heerlijkheid herschapen tot het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus.