Donderdag in de tweede week
   van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Jeremia 17,5-10 [I 108];
Evangelie: Lucas 16,19-31 [I 109]


Inleiding    

'God, kom mij te hulp, Heer, haast U mij te helpen,' zo luidde het openingsgebed. Iemand verkeert in een situatie van hulpeloosheid, van uitzichtloze nood. Niemand die kan helpen, niemand die uitzicht of uitkomst kan bieden. Alleen de Heer. Dat is de situatie van het gebed. Dat is onze geestelijke situatie wanneer wij ons opmaken om eucharistie te gaan vieren. We kunnen onszelf niet helpen, we kunnen onszelf niet voeden, we kunnen ons niet de voedingskracht verschaffen die nodig is om in de moeilijkheden overeind te blijven. Daarin zijn we aangewezen op het voedsel van de Heer: zijn woord en zijn zelfgave. Dat wij ons in onze nood toch niet tot Hem wenden, of dat wij onze nood verdoezelen, over onze nood heen leven, zoals de rijke vrek in het evangelie van vandaag, is dat niet onze zonde?

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën:
“Er was eens een rijk man die in purper
en fijn linnen gekleed ging
en iedere dag uitbundig feest vierde,
terwijl een arme, die Lazarus heette,
met zweren overdekt voor de poort lag.
Hij verlangde er naar zijn honger te stillen
met wat bij de rijkaard van de tafel viel.
Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likten.
Nu gebeurde het dat de arme stierf
en door de engelen in de schoot
van Abraham werd gedragen.
De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis.
In de onderwereld ten prooi aan vele pijnen,
sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham,
en Lazarus in diens schoot.
Toen riep hij uit:
Vader Abraham, ontferm u over mij
en geef Lazarus opdracht
de top van zijn vinger in water te dopen
en mijn tong daarmede te komen verfrissen,
want ik word door de vlammen hier gefolterd.
Maar Abraham antwoordde:
Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven
uw deel van het goede hebt gekregen
en op gelijke manier Lazarus het kwade;
daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting,
maar wordt gij gefolterd.
Daarenboven gaapt er tussen ons
en u voorgoed een wijde kloof,
zodat er geen mogelijkheid bestaat,
zelfs als men het zou willen,
van hier naar u te gaan
noch van daar naar ons te komen.
De rijke zei:
Dan vraag ik u, vader Abraham,
dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen,
want ik heb nog vijf broers;
laat hij hen waarschuwen,
opdat zij niet eveneens
in deze plaats van pijniging terecht komen.
Maar Abraham sprak:
Zij hebben Mozes en de profeten;
laat ze naar hen luisteren.
Maar hij zei:
Och neen, vader Abraham!
Maar als er een uit de doden naar hen toegaat,
zullen ze zich bekeren.
Hij echter sprak tot hem:
Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren,
zullen ze zich ook niet laten overreden,
als er iemand uit de doden opstaat.”

Homilie


Een evangelie van oosterse tegenstellingen. Een arme man, met zweren overdekt, hongerig, begerig naar wat van de tafel van de rijke valt, én een rijk man, gekleed in fijn linnen en purper, elke dag uitbundig feestvierend. Het lijken oosterse tegenstellingen die de zaak op de spits drijven, zoals die kameel die door het oog van een naald kan kruipen, zoals die balk in je eigen oog, die je niet ziet, zoals de mug uitziften en de kameel doorslikken. Het lijkt beeldspraak, meer beeld dan werkelijkheid.

Toch is hier geen sprake van beeldspraak. Kijk maar naar de werkelijke verhoudingen in onze wereld. De gewone maaltijd van familie Doorsnee in onze welvaartsmaatschappij moet in de ogen van miljoenen armoedzaaiers een beetje verder op, aan de andere kant van ons planeetje, wel een uitbundig feest schijnen. Ongeveer een derde van de wereldgraanproductie gaat op aan veevoer, wordt gegeven aan beesten om er vlees van te maken, wat de mensen in de rijke landen zo graag eten, terwijl de arme landen dat graan nodig hebben voor hun eerste levensbehoefte. En zo kunt u doorgaan. U hoeft niet naar de televisie gekeken te hebben om te weten dat er zoiets is als een onoverbrugbare kloof tussen rijk en arm, een kloof die nog steeds groter wordt. Die armen liggen nog steeds op de stoep van de rijken. Maar ja, wat kunnen wij er aan doen? Het kan ons in deze vastentijd hoogstens helpen onze hongerige magen wat geduldiger te verdragen.

Het evangelie kan ons echter helpen de werkelijke geestelijke verhoudingen onder ogen te zien. Hoe gaat het eigenlijk tussen God en de mensen? Is dat tafereel van die arme Lazarus en de rijke vrek niet een sprekend beeld van hoe wij ons kunnen voelen ten opzichte van God. Hij, badend in weelde en wij, gebrek aan alles. En liggen wij niet dag aan dag voor de deur van zijn hemels paleis, vragen wij niet dagelijks om voedsel, zijn we niet zo-even de eucharistie op deze manier begonnen: 'Snel ons te hulp, kom ons te hulp, haast U ons te helpen.' Als we nederig onze handen uitsteken voor een beetje hulp, een beetje sterkte, een beetje doorzettingsvermogen, een beetje troost, waarom geeft Hij ons die dan niet? Het is misschien niet erg eerbiedig om zo te denken, maar die rijke man, die de ellende voor de deur ziet liggen en er geen hand naar uitsteekt, heeft die niet verdacht veel weg van onze God?

Eigenlijk mogen we dat niet denken, maar wat doen we dan fout, dat wij ons niet voelen als die struik geplant aan stromend, levend water, als die boom geplant aan een rivier, met de wortels tot in het water, die geen last heeft van de hitte en die altijd vrucht blijft dragen? Dat komt niet omdat God niet grootmoedig is, omdat Hij niet barmhartig zou zijn, omdat Hij zijn hart zou sluiten, maar dat komt omdat wij ons hart sluiten voor zijn barmhartigheid. God is de rijkmaker en wij zijn de bedelaar en we zeggen wel: we kunnen niets, we zijn niets, en we hebben niets, maar we menen dat niet echt. We schrijven onszelf misschien allerlei slechts toe, maar iemand hoeft maar met een vinger te wijzen naar één van onze gebreken of de wereld is te klein. Dan zijn we beledigd of worden we moedeloos.

Wij hebben in onze gedachten niet zo'n hoge dunk van onszelf, maar innerlijk zijn wij geneigd te leven vanuit onze eigen krachten. Wij laten het er niet echt op aankomen, wij geven niet echt onze reserves op, we zijn niet echt bereid ons geestelijk banksaldo, ons stootkussen, dat we achter de hand houden voor eventuele tegenslagen en teleurstellingen, op te geven, want je weet maar nooit. Als je echt niets en niemand meer hebt dan God, dan alleen ben je die boom die zijn wortels uitstrekt naar het levende water, alleen dan zal die boom dat levende water opzuigen en ervan in bloei staan. Dat is geen menselijke vitaliteit, maar geestelijke vitaliteit, een geestelijke bloei, vrucht dragend tot in eeuwigheid.