Zaterdag in de tweede week
 van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Micha 7,14-15.18-20 [I 112];
Evangelie: Lucas 15,1-3.11-32 [I 113]


Inleiding      

'Red ons van de zonde, red ons van de dood', van de doodzonde. Zonde betekent dood, de dood van de ziel, en dat heeft de dood van het lichaam ten gevolge. Dat is de visie van de vader van de verloren zoon op zijn kind die in zonde leefde. "Deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden." Hij zegt het zelfs nog een tweede maal, ook nog eens tegen zijn oudste zoon, de broer van de verloren zoon: "Die broer van je was dood en is weer levend geworden." Er wordt een 's.o.s.-signaal', een 'save-our-soul', een 'red onze zielen', een 'red ons leven-signaal' van de aarde opgestuurd naar de hemel. En God komt met zijn redding, met zijn Redder. Als wij om Hem roepen, komt Hij!
Belijden wij dan eerst onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
                       
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd kwamen telkens weer tollenaars
en zondaars van allerlei slag
bij Jezus om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
“Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En hij verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had,
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij één der inwoners van dat land,
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed,
en ik verga hier van de honger.
Ik ga weer naar mijn vader en zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten,
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen,
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe, viel hem om de hals
en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechts:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger
en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het;
laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood
en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde,
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechts
en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten,
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam
en bij hem aandrong,
gaf hij zijn vader ten antwoord:
al zoveel jaren dien ik u
en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is gekomen
die uw vermogen heeft verbrast
met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde de vader:
Jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is,is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en is teruggevonden.”
             
Homilie  

“Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u."
Tegen de hemel en tegen U? Hoe kan dat nu? Als wij verkeerd doen, is dat toch tegen onszelf of tegen anderen; dan maken wij toch iets stuk in onszelf of in anderen. Als wij zondigen, verknoeien wij toch de goede sfeer in ons eigen hart of in het hart van anderen. Hoe kan dat nu ook nog eens tegen God in de hemel zijn? En dat nog wel op de eerste plaats, want dat noemt die jongen het eerste: "Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen U." Dat komt omdat God altijd bij ons is, precies zoals de vader tegen zijn oudste zoon zegt: "Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou." Zoals het is tussen die vader en zijn zoon, zo is het tussen God en ons. God is niet ver weg. Hij staat wel als Schepper niet in de rij der schepselen, Hij staat daar helemaal buiten, maar Hij is toch dichtbij. Juist omdat Hij er buiten staat, staat Hij er niet boven, niet onder, maar is Hij bij ieder van ons. Volgens het woord van Augustinus is 'Hij dichter bij ons dan wij bij elkaar zijn. Ja, Hij is dichter bij ons dan wij bij ónszelf zijn.' Wat indruist tegen ons en tegen elkaar, dat druist nog eerder in tegen Hem, want Hij is dichterbij dan wij bij onszelf zijn.

Dat is dan ook de norm van de zonde. Wat ingaat tegen onze verbondenheid met God, dát is zonde. Zonde is niet zomaar dat wij menselijke wetten overtreden, maar dat wij in het overtreden van menselijke wetten de gemeenschap met God verbreken. Daarom, of iets zonde is, moeten wij niet afmeten aan uiterlijke observantie, of wij voor het oog van de mensen goed zitten, maar of wij goed staan voor het oog van God. Dat ervaren wij in ons geweten, dat gevormd is aan de gemeenschap met Jezus Christus. Als ik iets wil doen dat niet in orde is, dat ik niet kan verantwoorden tegenover Jezus, waardoor ik die diepe verbondenheid met Hem kwijtraak, of waardoor de liefde voor Hem verflauwt, dat iets me afhoudt van het gebed, dan is dát een teken dat wij zoiets niet moeten doen; dat wij, als we dat wel doen, ingaan tegen God, tegen de band met Hem. Dan misdoen wij tegen de hemel, tegen de hemel in ons hart. Je moet jezelf dus onderzoeken, hoe je reageert op Gods aanwezigheid in jezelf. Dat deed die verloren zoon ook. Hij bracht zich het beeld van zijn vader te binnen. "Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed.” Daardoor kreeg hij de kracht om op zijn schreden terug te keren.

Hemel en aarde horen bij elkaar. God en mens zijn niet ver van elkaar. Dat te denken is nu juist zonde. Als er toch een kloof is tussen ons en God, als wij het idee hebben dat God ver weg is, als we ons niet gelukkig voelen, ons niet met God verbonden weten, dan komt dat niet omdat God Zich verwijderd zou hebben van ons, maar omdat wij ons verwijderd hebben van God. De zoon ging weg, híj brak met de traditie van het vaderhuis en daarmee met zijn vader zelf.

Als wij ons van God verwijderd hebben, dan wacht God niet zomaar tot wij met hangende pootjes terugkomen, nee, "deze zoon van mij van dood en is weer levend geworden”, “die broer van jou was dood en is levend geworden." Je Vader is in rouw, Hij heeft verdriet. Wat mensen voelen bij het verlies van een dierbare, ze zijn er kapot van, wat een moeder heeft bij het verlies van een kind, dat moeten wij ons voorstellen bij wat de Vader voelt wanneer de mensheid in zonde zich van Hem verwijdert. En dat dat inderdaad een groot en pijnlijk verdriet is, kun je horen aan de manier waarop de vader reageert als hij zijn zoon terugkrijgt. Er moet feest en vrolijkheid zijn. "Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feest vieren." Er was verdriet, er was rouw, er was een uitzinnige smart. Die uitzinnige vreugde brengt op een verborgen wijze aan het licht het verborgen maar werkelijk aanwezige verdriet van de Vader om onze zonde.

God heeft medelijden. Hij lijdt aan ons heengaan; Hij lijdt er aan dat wij onze wortels doorsnijden van de band met Hem, de Bron van het leven. Daarmee gaat er ook iets stuk in het Vaderhart. Het is zoiets als wat een moeder ervaart bij haar eigen kind. Doordat dat kind lange tijd in het lichaam, in de schoot van de moeder is geweest, daardoor vormen moeder en kind één geheel, één wezen. Het kind gaat dan wel op eigen benen staan na de geboorte, het wordt volwassen, maar die band blijft. Als een kind zich verwijdert van de moeder, dan lijkt het net alsof er iets stuk gaat in haarzelf. Zoiets moeten wij ons voorstellen bij de band tussen de Vader van alle mensen en de mensen. Wij maken deel uit van zijn leven door de heilige Geest.
Het is dezelfde Geest die Vader en Zoon met elkaar verbindt. Die heilige Geest, die band van  liefde, dat is ook de band van de liefde tussen de Vader en de mensenkinderen.

Wij leven nu in de Veertigdagentijd, waarin we ons die werkelijke verhoudingen beter bewust maken, dat wij in die verhoudingen gaan leven en in die verhouding eucharistie vieren. 'Deze Zoon van Mij was dood.' Daaraan kun je zien wat zonde eigenlijk is: zonde is wat de band tussen God en de mensen dood maakt. Maar Hij heeft die dood willen dragen, Hij heeft ervoor gekozen en zo is Hij ons leven geworden.