Heilige Casimir
Eerste lezing: Jeremia 17,5-10
Evangelie: Lucas 16,19-31
Inleiding
'God, kom mij te hulp. Heer, haast U mij te helpen,' zijn de beginwoorden uit het openingslied. We zingen het in het Latijn, maar ook als je het in het Nederlands zegt, gaat het gemakkelijk gladjes aan je voorbij. Maar als je zou willen uitdrukken wat hier staat, zou je eigenlijk moeten zeggen: Heer, help me, help me, ik ben in nood! Ze staan mij naar het leven! Als iemand zo zou te keer gaan, dan schiet iedereen te hulp, en als wij inderdaad met zo'n inzet van harte zo'n hartenkreet tot God zouden opzenden, ja, dan luistert Hij wel en kómt Hij te hulp. Zijn we ons wel voldoende van onze zwakheid bewust? En vertrouwen wij wel voldoende op zijn hulp? Dat is dan voor het gewetensonderzoek en voor de schuldbelijdenis.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën:
Er was eens een rijk man
die in purper en fijn linnen gekleed ging
en iedere dag uitbundig feest vierde,
terwijl een arme, die Lazarus heette,
met zweren overdekt voor de poort lag.
Hij verlangde er naar zijn honger te stillen
met wat bij de rijkaard van de tafel viel.
Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likten.
Nu gebeurde het dat de arme stierf
en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen.
De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis.
In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen,
sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham,
en Lazarus in diens schoot.
Toen riep hij uit:
Vader Abraham, ontferm u over mij
en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen
en mijn tong daarmede te komen verfrissen,
want ik word door de vlammen hier gefolterd.
Maar Abraham antwoordde:
Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven
uw deel van het goede hebt gekregen
en hoe op gelijke manier aan Lazarus het kwade ten deel viel;
daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting
maar wordt gij gefolterd.
Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof,
zodat er geen mogelijkheid bestaat,
- zelfs als men het zou willen -
van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen.
De rijke zei:
Dan vraag ik u, vader Abraham,
dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen,
want ik heb nog vijf broers;
laat hij hen waarschuwen,
opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen.
Maar Abraham sprak:
Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren.
Maar hij zei: Och neen, vader Abraham!
Maar als er een uit de doden naar hen toegaat,
zullen ze zich bekeren.
Hij echter sprak tot hem:
Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren,
zullen ze zich ook niet laten overreden,
als er iemand uit de doden opstaat.
Homilie
In de eerste lezing hoorden we: "Gezegend is hij die op de Heer vertrouwt, en zich veilig weet bij Hem. Hij is een boom aan de rivier, de wortels tot in het water. Dit is een beeld van een ander beeld, namelijk dat van Lazarus uit de parabel. De arme man die met zweren overdekt voor de poort lag van de rijke, en er naar verlangde zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van tafel viel. Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likten." Dat is de buitenkant. Aan de binnenkant wordt ons getoond hoe hij is in de andere wereld: in de schoot van Abraham, geborgen als in de moederschoot. Je kunt zeggen: dat is de monnik, of de moniale, die niet bidden kan, maar die van de nood een deugd maakt en van zijn niet kunnen bidden zijn gebed maakt.
Er is eens een boek uitgegeven met de titel: 'Hoe word ik gelukkig?' en als ondertitel: 'Levenswijsheid uit de kloosters. Gesprekken met abten en abdissen.' Een abt zegt daarin onder andere: 'Wij willen aan onze eenzaamheid ontsnappen. Verlangens worden meteen ingevuld door een heel vlugge bevrediging en op die manier slibt het hart van de mens dicht. De wereld zou er anders en gelukkiger uitzien als de mens in de leegte zou blijven staan, als hij zou durven wachten. Als je dat doet ben je onderweg naar God.'
De profeet Jeremia zou zeggen: als je dat doet, in de leegte blijven staan, "dan sta je met je wortels tot in het water, tot in God. Dan ben je onderweg naar God. Maar vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, die steunt op een schepsel, zich afkeert van de Heer. Hij is een kale struik in de steppe, nooit krijgt hij regen. Hij staat op dorre woestijngrond, in een onvruchtbaar, verlaten gebied. Dit is de rijke man in de parabel, die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde."
Hoe ziet zoiets eruit in een klooster waar armoede, stilzwijgen, eenzaamheid de toon aangeven?
Een abt in datzelfde boek: 'Soms heb ik het te druk. Dan voel ik bijna onwil om tot rust te komen. Op zo'n moment ben ik heel productief, maar niet creatief, want de inspiratie heeft dan geen kans meer. Ik produceer veel, er komt veel werk uit mijn handen, maar ik ben niet creatief, niet scheppend.' Er komt niets mee vanuit de diepte, vanuit de verbondenheid met God. De wortels van deze drukke wijze van doen reiken niet in de diepte waar het water stroomt, het water van de heilige Geest dat inspiratie geeft.
Dat betekent dat de man die het druk heeft, uit wiens handen veel werk komt, die een zinvol bestaan leidt, veel contacten heeft, veel hulp geeft, in alle opzichten een rijk man is, maar van binnen is hij arm. En de arme man die niet bidden kan, kan van binnen een rijke zijn, door van zijn niet kunnen bidden zijn gebed te maken. Hij is een arme van geest, een arme van geest van gebed. Maar zo'n arme kan zich door God laten zalig prijzen. "Zalig de arme van geest, van gebedsgeest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen" (Mt 5,3). De binnenkant is anders dan de buitenkant. Het is het omgekeerde. Dát is wat de parabel ons wil leren: de binnenkant van de arme en van de rijke worden geprojecteerd in hun beider toestand in het hiernamaals. Lazarus in de schoot van Abraham, geborgen in God als een kind in de moederschoot, en de rijke in de hel ten prooi aan verschrikkelijke pijnen. Het is een veruitwendiging van de binnenkant van beider leven en tegelijkertijd een voltooiing, een volledige ontplooiing van wat in hun binnenkant op aarde al begonnen was. De hel begint hier in het hart van de rijke. "Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, die steunt op een schepsel en zich afkeert van de Heer." Vervloekt zoals de vervloekten.
Toch begint de hemel ook hier al, in Lazarus, die zich door God laat helpen, want zijn naam betekent letterlijk: God helpt, God is mijn bijstand. Zo zijn we de viering ook begonnen: 'God, kom mij te hulp. Heer, haast U mij te helpen.' Onze hulp is in de naam van de Heer. Als je zo leeft, "wordt je zwakheid je kracht," zoals Paulus zegt (2Kor 12,9). De sterkte komt eerst tot zijn recht in zwakheid, tenminste de sterkte van God, want het is niet een sterkte voor Zichzelf, het is een sterkte voor anderen. Hij is sterk in het helpen van anderen.