Dinsdag in de tweede week
          van de Advent
Eerste lezing: Jesaja 40,1-11 [I 15]
Evangelie: Matteüs 18, 12-14 [I 16]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Wat dunkt u?
Wanneer een man honderd schapen heeft
en één daarvan verdwaalt,
zal hij dan niet de negenennegentig in de bergen alleen laten
om op zoek te gaan naar het verdwaalde?
En gelukt het hem dat te vinden,
voorwaar Ik zeg u,
dan zal hij over dat ene meer verheugd zijn
dan over de negenennegentig die niet verdwaald waren.
Zo ook wil uw hemelse Vader niet
dat een van deze kleinen verloren gaat.”


Homilie  


De profeet Jesaja moet tot het volk zeggen: "Troost, troost toch mijn stad, spreek Jeruzalem moed in.” En dan klinkt er een tegenstem die roept: “Verschijnen zal de glorie des Heren en alle vlees zal daarvan getuige zijn.” … “Alle vlees is als gras en al zijn glorie - dat is niet de glorie van de Heer - als een bloem op het veld: het gras verdort, de bloem verwelkt zodra een hete wind erover blaast: het gras zijn de mensen!" Zo zijn de mensen voor het orakelwoord van de profeet Jesaja. Al die woorden hebben ze al zo dikwijls gehoord en wat hebben ze gezien? Niets! Het blijft allemaal bij het oude. Maar zo is het met deze woorden van God niet.

Het is als de vraag van Jezus' voorloper, Johannes de Doper, toen hij in de gevangenis zat. "Zijt Gij de komende, of hebben wij een ander te verwachten?” (Mt 11,3) Ze zien niets. Of zoals in de tweede brief van Petrus, waarin ons een vraag wordt overgeleverd die destijds onder de christenen de ronde deed: “Waar blijft nu de wederkomst die Hij heeft toegezegd? Onze vaderen zijn al gestorven, maar alles blijft zoals het vanaf het begin van de schepping geweest is" (2 Pe 3,4). Is er echt wel iets veranderd? Is niet het tegendeel gebeurd, alles is immers gebleven zoals het was? En ook de christenen van de tweede generatie stellen dezelfde vraag die in Petrus' tijd gesteld werd: 'Waar blijft de beloofde wederkomst dan toch?' Dat is in onze dagen springlevend. Alles schijnt rustig zijn gangetje te gaan, zoals het vanaf het begin van de schepping is geweest. Niets verandert er. Ja, het enige is dat in onze dagen christenen worden vervolgd, en op een andere manier ook de mensen die het echt goed menen.

Het antwoord van de profeet op de vragen van de mensen van zijn tijd, en ook van onze tijd, is: Ja, het is waar, "het gras verdort, de bloem verwelkt, maar het woord van God houdt voor eeuwig stand. Dat woord is het woord dat de profeet van de Heer moest spreken: “Verschijnen zal de glorie des Heren, en alle vlees zal daarvan getuige zijn." Dat woord houdt voor eeuwig stand. Het zál dus gebeuren, betekent dat.

Op een andere manier is het nu al werkelijkheid. Het is niet alleen maar iets wat in de toekomst zal gebeuren, het volk van God leefde in de ballingschap: geen eredienst meer, geen sprake meer van optrekken naar de tempel des Heren. Dat waren ze allemaal kwijt: Geen profeet, geen koning, geen tempel, geen brand- en zoenoffers, maar ze hadden wél het woord van de Heer, zijn blijvende aanwezigheid bij mensen die leefden als vreemdelingen, als zwervers, als ballingen. De mensen hoefden niet naar Jeruzalem te gaan, of naar een bepaalde plaats te trekken, maar dat woord gaat andersom, dat gaat met de mens mee; hij kan er in gaan wonen. Je kunt in het Woord van God onderdak vinden. Het kan in je hart opkomen als een kracht, als een troost, als een warmte; als een vurige kracht, als goddelijke kracht. Gods kracht huist in zijn woord.

Zo kan de mens in zijn zwakte, in zijn grootste zwakte, in zijn alleen zijn, in zijn verloren zijn, toch steeds door God gevonden worden in zijn woord. Dat is de betekenis van de parabel die Jezus eraan toevoegt. De profeet had al verkondigd: "als een herder zal Hij zijn schapen weiden, in zijn armen ze samenbrengen, de lammeren dragen tegen zijn boezem, de schapen met zachte hand geleiden."
Dat zijn de kleintjes, de pasgeborenen, die niet op eigen benen kunnen staan. Ze krijgen extra zorg. Dat klinkt al heel anders, maar Jezus gaat verder. Hij is God. Hij weet dat de mensen het moeilijk hebben met wat eigen is aan de menselijke existentie, het alleen zijn, de mens komt alleen op de wereld en hij gaat alleen weg uit deze wereld. Daarin kan hij het gevoel, krijgen dat hij verloren loopt. Dáárvoor zet de Herder zijn hele zorg in. Hij concentreert héél zijn aandacht in het zoeken en het terugvinden van dat ene enkele dier. De zorg voor alle andere dieren laat Hij even achterwege, Hij is met die ene bezig. Zo mag u weten, dat Hij ook met u als die ene bezig is, wanneer u zijn zelfgave hebt mogen ontvangen in de heilige communie.