Zaterdag in de tweede week
        van de Advent
               Heilige Lucia, maagd en martelares


Eerste lezing: Sirach 48,1-4.9-11 [I 23]
Evangelie: Matteüs 17, 10-13 [I 24]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Bij het afdalen van de berg
stelden de leerlingen Jezus de vraag:
“Waarom zeggen de schriftgeleerden toch
dat eerst Elia moet komen?”
Hij gaf hun ten antwoord:
“Inderdaad, Elia zal komen om alles te herstellen.
Ik zeg u zelfs:
Elia is reeds gekomen,
maar zij hebben hem niet erkend
doch naar willekeur met hem gehandeld,
zoals ook de Mensenzoon van hen te lijden zal hebben.”
Nu begrepen de leerlingen
dat Hij hen over Johannes de Doper gesproken had.

Homilie  

Elia, een profeet. Elia, dé profeet, die alles in zich verzamelde wat mensen zich maar bij een profeet konden denken: als een fakkel. Zo wordt hij dan ook voorgesteld: "zijn woord brandde als een fakkel." Een profeet is een man van God. Hij stelt Gods heiligheid tegenwoordig in een onheilige wereld, met een niemand en niets ontziende radicaliteit opkomend voor de aanspraken van zijn God.

Alle mensen hebben wel een beetje zoiets in zich. Iedereen heeft wel zo'n periode van idealisme. Het zoeken en het streven naar een betere wereld, ook in zichzelf. De volmaakte overwinning van zichzelf. Het móet beter, het móet anders! Zo kan men staan tegenover anderen, zo kan met ook staan tegenover zichzelf. Revolutionairen hebben dat. Alle revoluties maken zo'n periode door. Een periode van het volstrekte idealisme, waarin de blauwdruk van de toekomstige ideale samenleving hier en nu in de concrete grauwe en onzuivere werkelijkheid wordt geplaatst. Dan wordt, zoals dat heet, de soep wél zo heet gedronken als ze wordt opgediend.

Een klooster, is dat eigenlijk ook niet een profetisch verschijnsel? Is de regel eigenlijk wel iets anders dan het evangelie in de concrete levenswijze van iedere dag? En wat is het evangelie anders dan het radicale opkomen voor Gods heiligheid.

En dat allemaal samen in die profeet Elia. Een profeet als een vuur. Hij liet driemaal vuur uit de hemel neerdalen. Hij werd opgenomen in een wervelstorm van vuur, op een wagen met vurige paarden. Jezus had daar wel iets van. Tenminste, de leerlingen brengen elke keer Elia ter sprake, of iets over Elia, als ze Jezus zien, als ze samen met Jezus de berg afdalen. Trouwens wie verscheen hen daar boven op de berg behalve Mozes? Elia.

Maar, elke keer neemt Jezus afstand, zoals in dit evangelie bij het afdalen van de berg. "Elia zal komen.” En dan gaat Hij een stapje verder. “Hij is reeds gekomen, maar ze hebben hem niet erkend. Ze hebben naar willekeur met Hem gehandeld.” Jezus is niet alleen iemand die met kracht opkomt voor Gods majesteit, maar Hij is ook iemand die het onderspit moest delven. “Zoals ook de Mensenzoon van hen te lijden zal hebben." De profeet die ze in Jezus zien, en waarvan Jezus ook toegeeft dat Hij het is, is dus niet zozeer een profeet die overwint, maar een profeet die verliest. Een lijdensprofeet. Een profeet die niet aanvaard wordt in zijn eigen vaderstad. Niet een profeet die vuur afroept om hen (de Samaritanen) te verdelgen. Hij maakte zijn leerlingen dan ook een streng verwijt: "Gij weet niet van wat voor een soort geest gij zijt" (vgl. Lc 9,55).

Dat is niet de geest van Jezus. Het vuur dat in Hem brandt is geen vernietigend vuur, maar een innerlijk vuur: het vuur van de heilige Geest. Een mild vuur, een zacht vuur. Niet een verbrandend vuur, maar dat vuur van de heilige Geest, dat zich in tongen verdeeld op de hoofden van de leerlingen neerzette. Dat is het vuur dat in iemand begint te gloeien als hij het kwaad van de ander niet onder kritiek stelt, maar het draagt, het vergeeft. Tot dat soort lijden is Jezus geroepen en tot dat soort lijden worden wij geroepen.

Niets van de radicaliteit van Gods aanspraken laten varen, maar weten dat de tijd van het herstel van alle dingen, van het definitieve oordeel nog niet is gekomen. En in die tussentijd: dragen. Ook het lijden en het eigen kwaad. Geen einde eraan maken, tenzij het kwaad beëindigen in onszelf door het, zoals Jezus, in een grenzeloos vergevingsgezind hart op te nemen. Ons niet kwaad maken over het kwaad, maar het kwaad laten verdwijnen in een goed en vergevensgezind hart. Dat is de manier waarop Jezus profeet is in de wereld. Het kwade aanklagen moeten anderen maar doen. Wij moeten het kwade dragen. Niet klagen, maar dragen.