Onbevlekte ontvangenis van Maria
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Genesis 3,9-15.20
Tweede lezing: Efeziërs 1,3-6.11-12
Evangelie: Lucas 1, 26-38
Inleiding
Het intredelied speelt in op het evangelie van vandaag: de blijde boodschap van de engel Gabriël aan Maria. Maar het is ook een ideaal openingslied voor elke eucharistieviering, want daarin zijn wij als een maagd die een vervulling verwacht van Godswege. We zijn in verwachting van het Woord van God dat tot ons gesproken wordt, en waarvoor wij een openheid, een ontvankelijkheid zouden willen hebben zoals Maria, die als de volmaakte leerling ons model is.
Belijden wij dan eerst onze schuld, ons gebrek aan openheid, ontvankelijkheid voor het geloof in het Woord van God, om deze heilige Geheimen, waarin het Woord opnieuw vlees gaat worden, goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het Huis van David.
De naam van de maagd was Maria.
De engel trad bij haar binnen en sprak:
Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u.
Zij schrok van dat woord
en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar:
Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen
en gij moet Hem de naam Jezus geven.
Hij zal groot zijn
en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het Huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.
Maria echter sprak tot de engel:
Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?
Hierop gaf de engel haar ten antwoord:
De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht
heilig genoemd worden, Zoon van God.
Weet dat zelfs Elisabeth, uw bloedverwante,
in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en,
ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij nu in haar zesde maand;
want voor God is niets onmogelijk.
Nu zei Maria:
Zie, de dienstmaagd des Heren,
mij geschiede naar uw woord.
En de engel ging van haar heen.
Homilie
God zet zijn oorspronkelijke plan door, het plan dat Hij had met de mens zoals het ons wordt geschilderd in het boek Genesis. Wij zouden dat een leer in verhaalvorm kunnen noemen. Zoals sint Paulus leert: "In Hem heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van zijn genade." Het is een mond vol, maar zó wordt het ons in het boek Genesis in beelden geschilderd. Adam, voorzien van Gods geest en Eva, wonderschoon in hun paradijs, in hun zuiverheid en ongerepte natuurlijkheid, in hun onschuld. Dan komt er iets te voorschijn in de gedaante van een slang, beeld van de wijsheid, die hen tot zonde brengt, tot afval van God, het hoogste Goed. Het bederf slaat toe, het bederf van hun onschuld. "Ze ontdekten dat zij naakt waren." Ze waren hun onschuld kwijt en zij schaamden zich. Weg onbedorven natuur, weg intimiteit met God, voor wie zij zich verborgen achter de bomen van het bos. Kinderen van de toorn zijn ze geworden in plaats van kinderen van God. Dat zou nooit meer ongedaan gemaakt kunnen worden.
God moet er iets aan doen en Hij dóet er ook iets aan. Alleen al het feit dat reeds in de heilige boeken geschreven staat over het paradijs en over de zondeval, is een teken dat God al bezig geweest is in het hart van de mens, om hem erop attent te maken dat Hij zijn oorspronkelijke plan toch zou doorzetten. Want hoe zou men dat anders kunnen weten? Hoe zou men anders kunnen weten van de oorspronkelijke bedoeling van Gods plan als dit plan niet ergens in tact gebleven was in het hart van de mens, in het hart van de gewijde schrijver, in het hart van een heel volk? Ook van de belofte moet men geweten hebben: "Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare."
Die belofte wordt vervuld in Maria. Zij is de nieuwe schepping, de nieuwe Eva, de nieuwe Moeder van alle levenden. In haar begint God opnieuw. Dat is wat wij mogen zien in die ontmoeting tussen hemel en aarde, tussen God en de mens, tussen de engel en Maria. Een heerlijke beschrijving. Verstomd staat de engel over de schoonheid van Maria. Zij stráált van Gods genade, begenadigd, één en al genade. Zij is genade geworden schepping. De engel begroet haar dan ook zoals de profeten eertijds Jeruzalem, de heilige stad, hebben begroet: "Verheug u, Begenadigde."
Maar ook Maria was overrompeld. God wendde Zich persoonlijk tot haar. De hemel buigt zich niet alleen over de aarde, maar nu ook over haar. Dat was iets om haar van streek te brengen. Een mengsel van schroom en van verlangen, van vooruit en terug, een eerste aanloop van de liefde die er reeds van droomt persoonlijk omhelst te worden. Dat is te veel, dat is te snel. Een geweldig ontzag doet haar terugdeinzen, een gevoel van onwaardigheid overvalt haar en de engel moet haar daarin opvangen: "Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Genade en gave worden altijd gegeven om er iets mee te doen, voor een opgave. Zie, gij zult zwanger worden en een Zoon ter wereld brengen, en gij moet Hem de naam Jezus geven. Een zoon? Een kind? Een kind in mijn schoot? Een vervulling van de verlangens van mijn natuur? Daar heb ik toch afstand van gedaan!? Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?" Ik heb toch afstand gedaan van de menselijke vervulling van mijn bovenmenselijke verlangens? Maagdelijkheid is toch een openheid voor God, voor God als God, waarvoor men hier beneden geen enkele vervulling kan en wil krijgen. Een hunkering van het hart die voor altijd onvervuld mag blijven. Voor altijd zonder vrucht, zonder nageslacht. Maar door een wonder van Gods genade worden die twee mogelijkheden, maagdelijkheid én moederschap, gerealiseerd. Het Kind van uw schoot zal zijn van de Heilige Geest. "De heilige Geest zal over U komen en de kracht van de Allerhoogste zal U overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht, wat uit U geboren wordt, heilig genoemd worden, Zoon van God." De vervulling die alleen maar in de hemel te verkrijgen is, zal u nu al gegeven worden. Een hemel op aarde. God in een mensenschoot. Dat is het grote geheim, dat is het nieuwe plan, dat is de voortzetting van Gods oorspronkelijke plan met ons. Of liever gezegd: geen voortzetting, maar een verheffing. Het gaat er ver bovenuit. God is met ons, in Maria, in de Kerk.
Het is ons geheim, in het heilig sacrament, in uw eigen hart. Wij zijn kinderen van God én kinderen van Maria. Hetzelfde geheim dat sint Paulus bezingt in zijn brief: "Hiermee heeft Hij ons begiftigd in de Geliefde, in wie wij ook ons erfdeel hebben ontvangen." Hébben ontvangen, maar ook straks opnieuw mogen ontvangen als een bezegeling van de belofte die Hij in Maria heeft vervuld, en ook in ons reeds begonnen is te vervullen.