Eerste lezing: Jesaja 41,13-20
Evangelie: Matteüs 11, 11-15
Inleiding
'Zie naar het Oosten.' Woorden uit het openingslied. Als u aan de eucharistieviering deel neemt, kijkt u naar het Oosten, want de kerk is georiënteerd op de opgaande zon, gericht op de oriënt. Als het zonnig weer is, zien wij hoe die zon door de gekleurde gebrandschilderde ramen naar binnen straalt, als een teken van het Licht dat in onze wereld is opgegaan. Het is mild, zacht, en warm licht, het is barmhartig licht. Niet het genadeloze, scherpe verblindende licht van het oordeel, maar het zachte, barmhartige licht van Gods ontferming.
Zijn wij daarop georiënteerd? De kerk is daarop georiënteerd, maar zijn wijzelf daarop georiënteerd? Zien wij naar Hem uit: 'meer dan wachters naar de morgen'? Dat noemen wij dan de verwijderde voorbereiding. Je hebt bij het gebed de nabije voorbereiding en de verwijderde voorbereiding. De nabije voorbereiding is waar wij nu mee bezig zijn: de inleiding, de zang, de schuldbelijdenis. En de verwijderde voorbereiding is: je levenshouding. Hoe je staat tegenover God en de mensen. Daar kun je nu niets meer aan doen, dat ligt achter je, dat onttrekt zich aan je greep: 'gedane zaken nemen geen keer', maar het onttrekt zich niet aan Gods barmhartigheid. In zoverre kan Hij daar nog iets aan doen dat Hij het wil opnemen, het wil beschijnen met het genadige licht van zijn barmhartige liefde.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot de menigte:
Voorwaar, Ik zeg u
onder hen die uit vrouwen geboren zijn
is niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper.
Niettemin is de kleinste in het Rijk der hemelen
groter dan hij.
Van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe
breekt het Rijk der hemelen zich met geweld baan,
en geweldenaars maken het buit.
Want al de profeten en de Wet, tot aan Johannes
hebben het slechts voorspeld,
maar als gij het van Mij wilt aannemen:
deze is de Elia die zou komen.
Wie oren heeft hij luistere!
Homilie
Voorwaar, Ik zeg u: onder hen die uit vrouwen geboren zijn is niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. Groter dan de profeten, wil dat op de eerste plaats zeggen, want zoals Jezus ook zegt: Hij is méér dan een profeet" (Mt 11,9; vgl. Lc 7,26). De profeten hebben Hem voorzegd, voorspeld, zij zagen Gods heil in de verte, maar Johannes heeft verkondigd dat Hij komen zou en Hem herkend en aangewezen toen Hij eenmaal was gekomen. Daarom stond er helemaal niets meer tussen hem, de oudste van het Oude Verbond, en Jezus, de eerste van het Nieuwe Verbond. Toch zegt Jezus: "Niettemin is de kleinste in het Rijk der hemelen groter dan hij." Groter dus dan de grootste van wie uit vrouwen geboren zijn.
Dat slaat op ons, want wij zijn kinderen van God. En als kinderen van God hebben wij het leven van God in ons, dat is de heilige Geest. Het is dus niet zoals bij de profeten, die het heil hebben gezien in de verte, en niet zoals bij Johannes de Doper, die Hem heeft gezien en aangewezen, maar altijd nog buiten hem. Nee, Hij is in ons. Hij in ons en wij in Hem! Zo dichtbij! En omdat Hij zó dichtbij is, is Hij ook onvoorstelbaar, onbegrijpelijk, onaanraakbaar, onzichtbaar, onwaarneembaar. Dat nu is eigen aan de geheimen van ons geloof. Je voelt ze niet, je ziet ze niet, je begrijpt ze niet, je kunt ze niet waarnemen, tenminste meestal niet, of soms maar een glimp ervan.
Maar die onwaarneembaarheid is niet een teken dat het niet bestaat. Als je niets ziet en niets hoort en niets voelt, betekent dat nog niet dat er ook niets is, in tegendeel, het is een teken van zijn overgrote werkelijkheid. De dingen die het meest werkelijk zijn, het meest fundamenteel zijn voor je bestaan, zie je het minste. Bijvoorbeeld: de lucht om je heen, het functioneren van je lichaam, de processen die zich daarin afspelen, heel het ingewikkelde samenspel van de schepping, de vernuftigheid van de bouw van het heelal, dat zijn dingen waar wij niets van af weten.
Van die allerdiepste werkelijkheden van ons leven merken we alleen iets als het mis gaat, als we ziek worden, als we ons bezeren, dan merken we ineens dat we een hand hebben of een voet. Of als we onze ogen bezeerd hebben, merken we ineens dat we ogen hebben. Ook ervaren we hoe geweldig vindingrijk dat alles in elkaar steekt.
In het psychische en het geestelijke is het ook zo. Pas als het niet zo goed gaat, ervaar je je afhankelijkheid, je behoefte aan gezelschap, aan aandacht, aan een beetje bevestiging, geborgenheid, afleiding, verstrooiing. Als we dan bij de schepselen te rade gaan voor onze geestelijke noden, of bij onszelf, missen we de gelegenheid om zijn nabijheid te kunnen ervaren. 'Nood leert bidden,' zeggen ze. Maar dan moet je die nood wel eerst aannemen, en er niet zelf iets aan willen doen. Pas dan zul je zien dat Hij je aanneemt, dat je bent aangenomen. Als we ons zó klein voelen, dan pas zullen we merken hoe nabij God is. "Ik ben de Heer, uw God, die u bij uw rechterhand heeft genomen en die zegt: Wees maar niet bang; Ik help u. Wees maar niet bang, wormpje Jakob, klein volk Israël Vertrouw op Hem zoals het kleine kind op zijn onmiddellijke omgeving. Want wat zegt Jezus ook weer tot zijn leerlingen? Weest niet bevreesd, kleine kudde: het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken" (Lc 12,32). Nood leert bidden!
In de woestijn vonden de Joden God, en ook in de woestijn van ons leven is God dichtbij, handnabij zelfs. "Op de kale gronden doe Ik rivieren ontspringen en bronnen in de rotskloven. Van de woestijn maak Ik een waterland
In de woestijn laat Ik ceders groeien. Waarom in de woestijn? Dan zullen ze zien en erkennen, volledig verstaan en begrijpen, dat de hand van de Heer dat gedaan heeft, dat Israëls Heilige dat heeft geschapen." Juist in de onmogelijkheid, de onvruchtbaarheid, de onuitstaanbaarheid, de onduldbaarheid van het menselijk tekort openbaart zich de goddelijke liefde.
Jezus doet ons dat voor door de wijze waarop Hij mens is geworden en mens is gebleven. Hij is een God geworden om aan te raken, heel klein, heel afhankelijk, heel kwetsbaar. Een God om bijna 'jij' tegen te zeggen. Een God die past in onze handen. We kunnen Hem zo met onze beide handen omvatten. Hij is overgeleverd in de handen van de mensen. Hij maakt Zich afhankelijk om ons vrij te maken van onze afhankelijkheden, om ons op te richten uit onze terneergeslagenheid, uit onze betrokkenheid op onszelf, uit onze zelfredzaamheid. We zien Hem in volkomen afhankelijkheid, volkomen onafhankelijk zijn! Volkomen vrij, vertrouwend op zijn hemelse Vader.
Door zijn 'zijn' nodigt Hij ons allen uit om ons afhankelijk zijn in liefde te dragen, het lief te hebben. Ons niet kunnen bidden, onszelf niet kunnen overwinnen, onze vallende ziekte, onze ziekte van alsmaar vallen, onze ziekelijke zwakte. Ze hebben een diepe zin en die is: dat Hij ons daaruit steeds weer opricht.