Heilige Damasus I, paus
Eerste lezing: Jesaja 48,17-19
Evangelie: Matteüs 11,16-19
Inleiding
'En als Hij zijn aanschijn over ons doet lichten
' Wat is dat voor een licht? Verblindend licht, een scherp, analyserend licht? Het is een licht van barmhartigheid. Het is het zachte licht van zijn barmhartige liefde. En in dat zachte licht van zijn barmhartige liefde zien wij onze zonden, durven wij onze zonden te zien.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd sprak Jezus tot de menigte:
Waarmee zal Ik dit geslacht vergelijken?
Het gelijkt op kinderen die op het marktplein zitten
en de andere partij toeroepen:
Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld
en jullie hebt niet gedanst;
wij hebben een treurlied gezongen
en jullie hebt niet op uw borst geklopt.
Immers; Johannes komt,
hij eet niet en drinkt niet,
en ze zeggen:
Hij is van de duivel bezeten!
De Mensenzoon komt,
Hij eet en drinkt wel, en ze zeggen:
Kijk die gulzigaard en wijndrinker,
die vriend van tollenaars en zondaars!
Maar de wijsheid vindt haar rechtvaardiging in haar werken.
Homilie
Een vergelijking. Veel vergelijkingen zijn niet geboren in het hoofd en het hart van Jezus, maar genomen uit de werkelijkheid. De leerlingen en Jezus zijn er getuigen van hoe een wijnstok wordt gesnoeid en hoe de twijgen, de takken worden verzameld, op een hoop gegooid en worden verbrand. Kijk, zegt Jezus dan, Ik ben de wijnstok en gij zijt de ranken en wat niet zuiver is, moet gesnoeid worden. Zo stonden ze waarschijnlijk ook eens te kijken bij het spel van de kinderen. Het is een kostelijk gezicht hoe kinderen de volwassenen naspelen. Waar die kleintjes maar niet genoeg van kunnen krijgen: begrafenisje spelen en bruiloftje spelen. Wisselende emoties. Eerst het gillen van de vrouwen en daar tegenover de mannen die zich op de borst moeten kloppen en op de omfloerste trommels roffelen. En dan bruiloftje spelen, daar hoort een fluit bij: blijdschap, vrolijkheid, dansen. En terwijl ze daarnaar keken en de kinderen hun spel speelden, merkten ze op een gegeven ogenblik dat het scheef liep. De kinderen kregen ruzie. Terwijl de ene partij bruiloftje aan het spelen was, begon de ander met een treurlied, of zo iets. Flauw! Zoals kinderen dan zijn.
En nu wordt de omgang met God vergeleken met een spel! Is dat niet er een spelletje van maken? Dat wij spelen, maar niet zijn wat het eigenlijke van ons leven zou moeten zijn, dat we dat maar spelen? Dat we dat niet echt zíjn? Zusters die wel het kleed dragen, maar niet de geest. Zoals we zongen: 'Hij komt wel in ons midden' met Kerstmis - maar niet in ons hart. De regel onderhouden en anderen eraan houden, maar het eigen hart een eigen leven laten leiden.
Het springende punt van de vergelijking is niet zozeer dat we er een spelletje van maken, dat kan natuurlijk niet, maar dat de omgang met God iets heeft van een spel, namelijk dat dialogische, dat ergens op inspelen, dat wat die kinderen deden en niet deden. Dat je het leven niet naar je eigen hand zet.
Er is een boek van een abt over zoeken naar God dat heet: 'Inspelen op genade' (André Louf). Zie dat woordje: inspelen. Dat is het. Als mensen niet meer inspelen op wat er in hun omgeving gebeurt: op wat Gód doet, als ze het alléén uitmaken, hun eigen wijs spelen, ja, dan worden het mensen met een gebruiksaanwijzing. Wanneer mensen hun eigen weg uitstippelen in het samen leven met de medemensen, in de gemeenschap met God, dan worden ze solisten, die alleen maar hun eigen spel spelen. Dan worden het mensen met wie je rekening moet houden, wie je eerst de pols moet voelen voordat je hun iets vraagt. Komt het wel uit?
Als dat spelelement, dat dialogische, dat inspelen op de genade ontbreekt, dan gaat men zichzelf serieus nemen: zijn eigen werk, zijn eigen officie: dan wordt het een heiligdom waar niemand mag binnentreden, niet ongevraagd mag binnenkomen. Binnenkomen zonder kloppen is er dan niet bij. Dan wordt het een eigen wereld waarop een ander geen inbreuk mag maken. Dan worden de eigen zorgen, het eigen ritme, de eigen gewoonten, de eigen denkbeelden het belangrijkste.
'Maar iemand gaat in het geestelijk leven zoveel vooruit als hij uitgaat uit zijn eigen belang, eigen wil en eigen zin' (Geestelijke Oefeningen nr. 189). Dat is het wat er eigenlijk op het spel staat. Dus dat wij speelser omgaan met onszelf. Dat het spelelement, het relativeren, het speelse, betrekking heeft op onszelf, dat we met onszelf kunnen spelen. Dat we onszelf laten innemen, laten betrekken in het spel dat God met ons wil spelen. Dat Hij er altijd is. Niet als een stomme getuige van het spel dat wij alleen spelen, maar als Iemand die van dag tot dag, van uur tot uur, van beweging tot beweging, met ons wil meespelen of ons uitnodigt met Hém mee te spelen. Dan verliest ons leven iets van die dodelijke ernst, die mensen opbrengen wanneer ze met zichzelf alleen zijn. Daarom Advent: Hij die er altijd is, wordt ons nu voorgesteld als Iemand die gaat komen. Trouwens, heel onze mensengeschiedenis staat in het teken van Hij komt, van blijde verwachting. Daardoor wordt de dodelijke ernst van: wij moeten het leven maken, weggenomen en mogen wij inspelen op zijn genade.