Heilige Franciscus van Sales, bisschop en kerkleraar
Eerste lezing: 1 Samuël 18,6-9;19,1-7 [III 19]
Evangelie: Marcus 3,7-12 [III 20]
Inleiding
'Gelukkig de man die de Heer vreest', zongen we in het openingslied. Gelukkig waren ook de mensen met Franciscus van Sales, die dat geluk, te leven in de vreze des Heren, uitstraalde. Nieuw, dat was de indruk die de verfijnde, op vernieuwing beluste vrome wereld in Parijs van Franciscus van Sales kreeg, toen deze daar voor een paar maanden verbleef. Hij was eenvoudig, bescheiden en bedachtzaam, maar ook straalde hij rust en zachtzinnigheid uit! Zijn gemoedsleven was door Christus door en door verzacht en verfijnd. Zo was hij het levende antwoord op Calvijn. Door Franciscus van Sales begon de Bérulle meer de voorkeur te geven aan de Christocentrische spiritualiteit van Theresia van Avila boven de meer abstracte, theocentrische Germaanse mystiek.
Franciscus van Sales werd in de wandeling Monsieur de Genève, bisschop van Genève, genoemd, maar eigenlijk heeft hij nauwelijks een stap in deze bisschopsstad gezet, want Genève was de stad van Calvijn. Annecy, dát was zijn bisschopsstad en dat is de stad van zijn leven en zijn werken geworden. Het was maar een klein bisdom, zoiets als het Hippo van sint Augustinus, maar zijn invloed reikte over de hele wereld. Bovendien beïnvloedde hij door zijn geschriften de toekomst, evenals door de door hem, samen met Jeanne de Chantal, gestichte orde van de Visitandinnen, en door de vele andere congregaties die zich op zijn spiritualiteit hebben georiënteerd. En die spiritualiteit houdt in: afstand doen van eigen wil en eigen macht, gehoorzaam zijn in de vreze des Heren, zachtzinnigheid.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen weg in de richting van het meer,
maar een grote volksmenigte uit Galilea ging Hem achterna;
er kwamen ook vele mensen uit Judea, Jeruzalem, Idumea,
uit het Overjordaanse
en uit de streek rond Tyrus en Sidon tot Hem,
omdat ze hoorden wat Hij allemaal deed.
Hij droeg zijn leerlingen op
te zorgen dat er een bootje voor Hem bij de hand was,
als voorzorg tegen het opdringen van de menigte.
Want Hij had er velen genezen,
met het gevolg dat allen die aan kwalen leden,
op Hem aandrongen om Hem aan te raken.
Zelfs de onreine geesten vielen, als zij Hem zagen,
voor Hem neer en schreeuwden:
Gij zijt de Zoon van God.
Maar Hij verbood hun met klem Hem bekend te maken.
Homilie
Jezus trok met zijn leerlingen weg in de richting van het meer." Van waar trok Hij dan weg? Hij trok weg van de confrontatie met schriftgeleerden en Farizeeën. Een heel hoofdstuk lang hebben we daarover gehoord. Zij vielen over de zondevergeving, over de roeping van de zondaar, van de lamme, de roeping van Levi de tollenaar, die ook nog eens gevierd werd met een maaltijd met tollenaars en zondaars. Ze maakten een punt van de vastendag, van aren plukken en het genezen van de man met een verschrompelde hand op sabbat. En dat alles eindigde, zoals we gisteren hebben gehoord, met het onheilspellende plan van de Farizeeën en Herodianen om Jezus uit de weg te ruimen. Onheilspellend, omdat Jezus het heil verkondigde en dat deed Hij op een weerloze, geweldloze manier. Uiteindelijk zou Hij toch het onderspit delven, maar vooreerst trok Jezus weg met zijn leerlingen in de richting van het meer.
Geeft Hij het dan op? Keert Hij het strijdtoneel de rug toe? Nee, Hij begint opnieuw, Hij begint nu voor Zichzelf. "Hij trok Zich terug", zo staat er. Dat is het woord dat de monniken gebruikten voor hun gaan naar de woestijn. Terugtrekken. 'Anachoresis'. Ze noemden zich 'anachoreten', de terugtrekkelingen. Dat is wat Jezus deed. Hij begon niet aan een soort terugtocht, Hij keerde het strijdtoneel ook niet de rug toe. Nee, Hij trok Zich terug om strijd te voeren waar die het hevigst is, namelijk de bron, het innerlijk, het hart. Daar waar de krachten zetelen van de afgunst, de haat, de nijd, de jaloezie, de hoogmoed. En dat is nu wat er allemaal rondging in het hart van koning Saul. "Saul was zeer ontstemd in zijn hart en ergerde zich hevig aan die woorden: Bij duizenden sloeg Saul ze neer, maar David bij tienduizenden.
Hij zei: Aan David geven ze tienduizenden en mij duizenden; alleen het koningschap ontbreek hem maar!
Vanaf dat ogenblik bekeek Saul David met afgunst."
Het zijn herkenbare gevoelens. Maar wat doe je eraan? Ze kunnen je hele hart in beslag nemen. Je hart is in staat van beleg. Je geest is er vol van, je wordt erdoor verteerd. Je kunt gewoon niets anders meer zien. je bent eraan overgeleverd. Wat doe je eraan? Saul kreeg hulp van iemand van buitenaf, zijn zoon Jonatan, die David bijzonder genegen was. Hij sprak op hem in en Saul luisterde naar hem, en zwoer: "Zowaar de Heer leeft, David wordt niet gedood!" Het kwaad dat Saul in de zin had, namelijk om David te vermoorden, werd voorkomen, maar de bron van het kwaad, van het kwade hart, de afgunst, bleef zitten en na een tijdje, als de omstandigheden nieuw voedsel geven aan zijn afgunst, steekt het toch de kop weer op. Dat zien we bijvoorbeeld gebeuren bij Saul als hij weer last krijgt van zijn minderwaardigheidsgevoelens waar de profeet Samuël op doelde, toen hij hem het verwijt maakte over zijn ongehoorzaamheid. Samuël zei tot Saul: "Gij kunt uzelf wel onbelangrijk achten, minderwaardig, maar toch bent u het hoofd van de stammen van Israël, want de Heer heeft u tot koning over Israël gezalfd" (1 Sam 15,17).
Als er aan die gevoelens van minderwaardigheid opnieuw voedsel wordt gegeven door de omstandigheden, dan zal opnieuw de moordlust zich doorzetten in Saul. Dat is ook bij de Farizeeën gebeurd.
Hoe moet je dan die vijand, die afgunst, in je eigen hart bestrijden? Hoe krijg je die eronder? Die vijand wordt gevoed door minderwaardigheidsgevoelens die de kop hebben opgestoken toen je vernederd werd, geminacht, gekleineerd, toen je niet in staat bleek die vernedering aan te nemen. Je zit dus met iets, zoals een klein jongetje of een klein meisje, dat zich als het ware niet geacht, niet aangenomen voelt. En je bestrijdt die afgunst alleen door die vernedering, die je opnieuw ondergaat bij het zien van het succes van een ander, alsnog aan te nemen.
Mensen gaan tegenwoordig naar de therapeut, maar koning Saul had een vriend, zijn eigen zoon Jonathan. En omdat het zijn eigen zoon was kon hij wel íets bereiken, maar niet het hart van zijn vader. Daar was meer afstand voor nodig. Daarom is Jezus gekomen. In het evangelie staat dat vele mensen uit alle streken naar Hem toekomen. Waarvoor komen ze dan? Ze komen naar Hem toe om hun kwalen voor Hem neer te leggen, om hun gevoelens waar ze mee zitten uit te spreken, hun verdriet, hun woede, hun afgunst. En wat doet Hij er dan aan? Hij luistert en vestigt Zich dieper in zijn grondhouding van nederigheid en zachtmoedigheid. "Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29).
Dat is wat ze hier van Hem zien en meemaken. Als de onreine geesten Hem zien en voor Hem neervallen en schreeuwen: "Gij zijt de Zoon van God", verbood Hij hun nadrukkelijk Hem bekend te maken. Hij had een vuist kunnen maken, Hij zou Zich groot hebben kunnen maken, Zich sterk hebben kunnen maken met zo'n achterban, en met zulke onverdachte getuigen als die boze geesten die zich voor Hem uitspraken, maar dat wilde Hij niet. Hij wilde dat de mensen Hem zagen zoals Hij was: niets uit Zichzelf, als Zoon van God, niet groot maar klein, nederig en geheel vertrouwend op de grootheid van de liefde van zijn Vader. Zo zijn de allergrootste vernederingen te aanvaarden in het diepst van je hart.