H. Agnes, maagd en martelares
(eigen lezingen)
Eerste lezing: 1 Korintiërs 1,26-31 [IV 296];
Evangelie: Matteüs 13,44-46 [IV 315]
Inleiding
De heilige Agnes is een Romeinse martelares uit de derde/vierde eeuw. Een meisje, jong, daarom patrones van de jonge meisjes. Zij heeft haar leven gegeven voor Christus, haar Bruidegom, zoals u haar zo-even hebt toegezongen. Een jeugdheilige, het heeft iets onroerends. Ze zit ergens tussen: aan de ene kant de allerjongste jeugdheiligen, martelaren, martelaressen, de onschuldige kinderen en aan de andere kant de ouden van dagen, die hun leven hebben gegeven met hun grijze haren. Daar tussenin. Agnes, Agnus, ze wordt uitgebeeld met het lam. Zij is dan ook patrones van de aartsbisschoppen die het recht hebben het pallium te dragen, een soort stola die zij over hun kazuifel dragen als teken van de metropolitaanrechten. Die stola's zijn gemaakt van de wol van lammeren. De lammeren die de wol hebben geproduceerd, worden op deze dag, Agnes' feestdag, gezegend. Zuiverheid, kuisheid en moed, dat is wat zij verbeeldt. Zij is één, haar menselijke liefde en de liefde van God.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot de menigte:
Het Rijk der hemelen gelijkt op een schat, verborgen in de akker.
Toen iemand hem vond, verborg hij hem weer
en in zijn blijdschap ging hij alles te gelde maken wat hij bezat
en kocht die akker.
Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een koopman, op zoek naar mooie parels.
Toen hij een parel van grote waarde had gevonden,
ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht haar.
Homilie
Heel de geschiedenis van de mens, alle mensenlevens, in twee parabels samengevat. Het is als het leven van de heilige Agnes. Een jeugdheilige, kort geleefd, maar in die korte tijd het wezenlijke geraakt, op de kern gestoten. Haar hart bevat de schat in de akker. "Toen iemand hem vond (die schat), verborg hij hem weer en in zijn blijdschap ging hij alles te gelde maken wat hij bezat en kocht die akker." Dood en verrijzenis, alles te gelde maken, er alles aan geven wat je bezit, alles, niet alleen wat je hebt, maar ook wat je bent, je leven zelf dus, alles geven om alles te vinden.
Het 'alles' wat hij gevonden heeft, kan hier op de wereld natuurlijk niet gevonden worden, dat is te vinden in de hemel, de schat in de hemel. Maar blijkbaar is die schat in de hemel, die alleen in staat is het verlangen van de mens te vervullen, ook al ergens in je hart, in je verlangen. Datgene waarop wij gericht zijn in de hemel, buiten ons leven, is ook al ergens in ons, op de wijze van het verlangen. Het kan gebeuren dat je zo diep door al die andere dingen die je verlangt, bent heen gestoten, dat je al die dingen achter je hebt gelaten, en zegt: nee, dat is nog niet het eigenlijke.
Dat is nu wat de heilige Agnes overkomen is. Ze was dertien jaar, dat wil zeggen op de leeftijd dat men in die tijd zelf keuzes moest gaan maken. In onze dagen wordt rond die leeftijd, twaalf of dertien jaar, het vormsel toegediend om de mens te sterken voor het nemen van gewichtige beslissingen. Toen de dertienjarige Agnes van school naar huis ging, zag een jongeman haar en hij werd meteen stapelverliefd. Hij maakte haar het hof, wierf om haar hart, maar ze wees hem af. Niet omdat ze te jong was, maar omdat zij haar hart had verpand aan een andere liefde. Ze wist zich van Jezus. De jongeman werd woedend, zocht wraak, hij was een heiden en bracht haar aan als christin. Ze werd voor het gerecht gedaagd. Nog nooit was er zo'n jong iemand voor het gerecht gedaagd en de rechter dacht in een handomdraai met haar klaar te zijn. Maar wat hij ook deed, vleiende woorden, dreigementen, hard of zacht, geweld, hij kreeg totaal geen vat op het kind. Als kinderen eenmaal besloten hebben, dan hebben ze ook besloten. Kinderen kennen niet zo de kunst van de volwassenen om compromissen te sluiten, te geven en te nemen, nee, het is alles of niets. Nu, dat had Agnes. Alles. Ze werd dus veroordeeld om te sterven op het schavot. Dat was een publiek vonnis, het werd in het openbaar voltrokken. De mensen die stonden toe te kijken, kregen de tranen in de ogen. Ook de beul. Alleen Agnes niet. Het was alsof zij naar een bruiloft ging, zich helemaal gevend. Acht dagen later, het was een gewoonte om acht dagen na iemands dood een soort bijeenkomst te houden bij de gestorvene, zag men bij het graf van Agnes een rij engelen en daar tussen Agnes zelf, in een met goud bestikt gewaad, een hemels wit lammetje aan haar rechter zijde en ze zei: 'Ween niet om mij, want ik heb het grootste geluk gevonden.'
Geen kunst, nee genade. Natuurlijk ook iets van kunst, ook eigen inzet verlangend, maar vooral lettend op de bewegingen van haar hart, de geestelijke beweging van haar hart, die haar dreef naar haar hemelse Bruidegom. Met die beweging meegaand heeft ze alle andere tegenbewegingen kunnen afwijzen.
Probeer dat maar eens. Dat is genade. Maar probeer dat nu eens je leven lang vol te houden! Dat is wat kardinaal Newman, die zelf een heel hoge leeftijd bereikte, in de negentig, de oude heiligen de voorkeur deed geven boven de jonge. Dat wat een jonge heilige eventjes, in een moment van genade en van inzet heeft bewerkt, moeten oude heiligen steeds opnieuw bewerken: zich totaal inzetten om zo Gods inzet te mogen ontvangen.