HH. Robertus, Alberikus en Stefanus, abten van Citeaux
Eerste lezing: 2 Samuël 1,1-4.11-12.19.23-27 [III 23]
Evangelie: Marcus 3,20-21 [III 24]
Inleiding
Vandaag gedenkt de gemeenschap die leeft volgens de regel van Benedictus, de heilige stichters van Citeaux. Uit het Exordium, het grootse verheven begin van de orde van Citeaux lees ik voor: 'In het jaar 1098 na de menswording van onze Heer, verliet Robertus, abt van Moulin, samen met de broeders wier hart door God geraakt werd, zijn klooster. Zoals hun gelukzalige Vader Benedictus, gaven zij er de voorkeur aan zich te vermoeien in de dienst van God, liever dan een gemakkelijk leventje te leiden. Vol ijver keken zij uit naar een geschikte plaats voor het plan dat de genade van God te voren had aangewezen: de eenzaamheid van Citeaux. Deze plaats lag in het diocees Châlons. Haar dichte bossen en doornen maakten haar toen moeilijk toegankelijk. De wilde beesten woonden er. Deze Godsmannen kwamen in deze zo weinig uitnodigende en woeste plaats. Zij achtten het evenwel des te voordeliger voor hun hartsverlangen, naarmate het voor hun tijdgenoten minder aantrekkelijk en ontoegankelijk was. Met de toestemming van de eigenaar en van de bisschop van Châlons bouwden zij er hun klooster.'
Een plaats die strategisch gezien zeer geschikt was voor de strijd tegen de geesten, tegen de onreine geesten, tegen de geest van de zelfzucht. Daar heb je een plaats voor nodig. Maar je hebt natuurlijk op de eerste plaats een bezieling nodig, een motief, een bedoeling. Die twee zijn op elkaar afgestemd. De innerlijke bezieling van God, de heilige Geest, trok hen naar deze plaats toe. Eenmaal op die plaats gekomen, is het de kunst je blijvend door die bezieling te laten leiden.
Wij zijn hier ook op zo'n plaats. Natuurlijk op de eerste plaats het klooster, maar ook de heilige eucharistie. Dan is de Kerk op de plaats waar Jezus de strijd, de beslissende strijd, tegen de boze geesten gestreden heeft. Op die plaats maken wij ons allereerst bewust van ons eigen tekortschieten, van ons gebrek aan goede Geest. Belijden wij dan onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd ging Jezus met zijn leerlingen naar huis
en weer stroomde zoveel volk samen
dat zij niet eens gelegenheid hadden om te eten.
Toen zijn verwanten dit hoorden,
trokken zij erop uit om Hem mee te nemen,
want men zei, dat Hij niet meer bij zijn verstand was.
Homilie
De bloedverwanten van Jezus trokken erop uit om Hem mee te nemen, want men zei dat Hij niet meer bij zijn verstand was." Waarom is Hij niet bij zijn verstand? Hij heeft namelijk net zijn eigen kring gevormd, zijn eigen familie. Dat gaat aan deze perikoop vooraf. In dat stukje evangelie, dat we gisteren hoorden, wordt verteld: "In die tijd ging Jezus de berg op en riep tot Zich die Hij zelf wilde en ze kwamen bij Hem om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden" (Mc 3,13). Om Hem te vergezellen, om altijd bij Hem te zijn, zoals een familie, altijd bij elkaar. Een nieuwe broederschap, die de wil doet van zijn Vader in de hemel en zo samen de Kerk vormt, de nieuwe familie, het Lichaam van Christus. En net heeft Hij dat gedaan, net is Hij daarmee begonnen of er begint een uitstotingsproces van de kant van zijn aardse familie, zijn bloedverwanten.
Als je Jezus volgt, als je mens wilt zijn op de wijze van Jezus, die de leraar is van de goddelijke Wijsheid, dan verklaren de mensen je niet goed wijs. Er zijn dus twee wijsheden, twee waardesystemen, twee levensfilosofieën, levensopvattingen. Dat is enerzijds die van de familie, de bloedverwanten, de eigen partij, de eigen groep, de eigen natie. Wat we in de eerste lezing hoorden: wat een emoties dat kan oproepen als iemand van het eigen volk sterft. En de andere wijsheid, de andere levensopstelling, is dat je niet alleen je broeder groet, alleen de mensen van je eigen groep bemint, maar dat je openstaat voor iedereen, en ook je doodsvijand liefde betoont, zoals David aan Saul en Jonathan. Een kwetsbare opstelling, waarbij iedereen een beroep op je kan doen, waar je er voor iedereen bent, zodat het kan gebeuren dat je geen tijd meer hebt om te eten. Op dat moment, toen ze dat hoorden daar in Nazaret, trokken ze eropuit. Nu is Hij toch niet goed bij zijn verstand, want Hij heeft geen tijd meer om te eten. Hij is er alleen maar voor de anderen, niet voor zijn familie.
Dat is de opstelling die Jezus ons voorschrijft: "Als gij een gastmaal geeft, nodig dan niet uw buren uit, uw rijke vrienden, mensen die het u kunnen teruggeven, maar nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit, want zij kunnen het u niet teruggeven. Maar mijn Vader die in de hemel is, die zal het u vergelden" (vgl. Lc 14,12-13). Dat is het eigenlijke circuit, omwille waarvan je dat andere circuit verlaat. Je verlaat het ik-gericht denken: 'hoe word ik er beter van?', voor een op de ander gericht denken: 'hoe wordt de ander er beter van?' Maar ik dan? De Vader in de hemel zal het u vergelden. Dat heeft mensen zelfs zover gebracht, dat ze ernaar verlangden voor niet wijs gehouden te worden door de mensen, voor dwaas te worden gehouden, aangezien te worden voor iemand die er geen verstandige mening op na houdt.
Franciscus van Assisi heeft dat eens met verve verteld. Hij heeft eens aan Broeder Leo gezegd wat nu de grootste vreugde was: 'Broeder Leo, ook al zouden de Minderbroeders overal ter wereld een verheven voorbeeld van heiligheid en vrome stichting geven, schrijf op en let wel dat daarin toch niet de volmaakte vreugde bestaat.' Waarin bestaat dan wel de volmaakte vreugde? Veracht te worden, voor gek verklaard te worden, niet goed bij je verstand, zoals ze zeiden van Jezus, want dan weet je in je hart: Ik hoor niet tot dat circuit dat ten dode is opgeschreven, die elkaar bevestigen, groeten, eer geven. Dat is ijdel, ijdele eer.
Ignatius van Loyola ging om met de paus, met bisschoppen, kardinalen, vorsten, die hij brieven schreef. Die omgang had hij ook al voordat hij bekeerd werd, maar toen hij generale overste was, bekende hij dat hij eigenlijk maar één groot verlangen had: eigenlijk zou hij niets liever willen doen dan met zijn manke been ontbloot door de straten van Rome trekken, strompelend en door iedereen uitgelachen, bespot worden.
Alle heiligen hebben daar iets van. Dorst naar verachting, naar armoede, dorst naar weg van deze wereld, honger naar miskenning, het bitterzoet van de uitstoting. Dat staat al in de Bergrede: "Zalig zijt gij wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil. Verheugt u en juicht want groot is uw loon in de hemel" (Mt 5,11).
Dat is de bijna in vervoering brengende blijdschap die over Jezus kwam, toen Hij merkte dat die kleine familie van Hem, die zelfgekozen apostelen, succes had bij de kleinen, bij de kleinen van zijn Vader, dat andere circuit. "Ik prijs U, Vader, riep Hij jubelend in de heilige Geest uit. Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen" (Lc 10,21).
Zoals Hij Zich hier geeft, dat is het circuit waar wij nu samen toe behoren. Hij heeft ervoor gekozen er voor iedereen te zijn. Daar mogen wij nu deel van uitmaken. Hij heeft ervoor gekozen er voor ons te zijn. 'Mijn Lichaam en mijn Bloed', niet alleen zijn woord, maar zijn hele leven.