Eerste lezing: 1 Samuël 16,1-13
Evangelie: Marcus 2,23-28
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Eens ging Jezus op een sabbat door de korenvelden
en zijn leerlingen begonnen onder het gaan aren te plukken.
De Farizeeën zeiden tot Hem:
Waarom doen ze op sabbat iets wat niet geoorloofd is?
Hij gaf hun ten antwoord:
Hebt gij nooit gelezen wat David deed,
toen hij trek had en hij en zijn metgezellen honger kregen?
Hoe hij onder hogepriester Abjatar het huis van God binnenging
en van de toonbroden at, die alleen de priesters mogen eten,
en hoe hij er ook van gaf aan zijn metgezellen?
En Hij voegde er aan toe:
De sabbat is gemaakt om de mens, maar niet de mens om de sabbat.
De Mensenzoon is dus Heer, ook van de sabbat.
Homilie
Eens ging Jezus op een sabbat door de korenvelden en zijn leerlingen begonnen onder het gaan aren te plukken. De Farizeeën zeiden tot Hem: Waarom doen ze op sabbat iets wat niet geoorloofd is?" Mag dat niet, aren plukken op sabbat? Nee, dat mag niet, want onder aren plukken wordt hooien verstaan. Dat is slavenwerk, en dat mag niet op sabbat. Eten bereiden op sabbat was eveneens uit de boze. Er mocht wel gegeten worden, maar men moest er voor zorgen dat het eten klaar was om op sabbat te kunnen worden genuttigd. En om de aren te kunnen eten, moesten ze eerst worden bereid. Ze moesten met de handen stuk gewreven worden, zodat de korrels los kwamen uit de hulzen waarin ze waren ingepakt, en dat losmaken was een vorm van eten bereiden. Dat mocht dus niet.
Hoe beleefden Jezus en zijn leerlingen dit gebeuren vanuit de Wet? Zij beleefden dat niet als een overtreding van de wet, maar als het onderhouden van de wet. Want de leerlingen waren door Jezus geroepen om Hem juist te volgen, met loslating van huis, vader en moeder, vrouw, kinderen en ook van hun broodwinning. Ze leefden daarom zonder vaste inkomsten en moesten het hebben van giften van vermogende mensen, en die kwamen of ze kwamen niet. Ze leefden dus van de hand in de tand. Soms was er overvloed zoals bij de broodvermenigvuldiging, en soms was er gebrek, en dat was nu het geval. Ze hadden een tekort aan voedsel, leden ontberingen en hadden rammelende magen, maar dan was daar nog altijd de wet door de barmhartige God ingelast voor armen en vreemdelingen: "Als gij uw oogst van het land haalt, moogt gij uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen niet bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling. Ik ben de Heer, uw God" (Lv 19, 9.10). En in de tweede Wet, Deuteronomium, werd dit recht zelfs uitgebreid tot iedereen. "Wanneer ge door een korenveld van uw naaste komt, moogt gij wel met de hand aren plukken, maar niet de sikkel slaan in het op het veld staande gewas" (Dt 23,26). Wat deed Jezus nu, toen Hij merkte dat zijn leerlingen honger hadden? Hij koos zijn weg door de korenvelden die zojuist waren gemaaid, waarvan de randen echter niet waren afgemaaid, maar voor de armen en de vreemdelingen waren overgelaten. Voor mensen die toevallig honger hadden.
Wat moet dat voor Jezus een vreugde geweest zijn, te zien hoe zijn leerlingen zich voeden met wat de rijke mensen, of mensen met een vaste broodwinning, voor hen hadden achtergelaten en dat vanwege een wet die zijn Vader hun had ingegeven. Zij die moesten leven van de hand in de tand mochten op dat moment leven uit Vaders hand. Wat een moment van intimiteit: Jezus en zijn leerlingen levend uit wat Vaders hand hun gaf. Jezus moet het uitgejubeld hebben van vreugde en zijn Vader hebben gedankt: "Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen hebt gehouden voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd" (Mt 11,25.26; vgl. Lc 10,21). Ja, dat staat er als Jezus' reactie op het terugkeren van zijn leerlingen, de kleinen, van hun eerste missiereis. Ze vertelden wat er gebeurd was, hoe de groten, de machthebbers, zich niet lieten bewegen om te luisteren naar het Woord van God; hoe zij zich niet bekeerden. Maar de kleinen hebben het welbehagen van God gevoeld in Jezus' woord.
Ook nu was het weer verborgen voor wijzen en verstandigen, voor Farizeeën en schriftgeleerden. "Waarom doen ze op sabbat iets wat niet geoorloofd is?" De Farizeeën keuren niet af wát de leerlingen doen, maar dat ze het op sabbat doen. Ze mogen niet rooien, ze mogen geen eten bereiden op sabbat; dat was een menselijke uitbreiding van de Wet van God. Jezus zegt dat ook: "Mensenwet is het wat zij leren" (Mc 7,7). Zo was het niet bedoeld door God, en ook dat wordt door Jezus met evenveel woorden uitgesproken: "De sabbat is gemaakt om de mens, maar niet de mens om de sabbat." Bij het inrichten van de sabbat is het God om de mens te doen geweest. God kiest voor de mens en daarom Jezus ook. Hij is niet bezorgd om zijn gezag, maar Hij is bezorgd om de hongerige mensen in nood. Dus dat verdedigt Hij tegen zijn beschuldigers: in Gods bedoeling met de sabbat is het Hem begonnen om de mens.
We beleven nu het vierde strijdgesprek. In het eerste strijdgesprek zei Jezus: "De Mensenzoon heeft macht op aarde zonden te vergeven (Mc 2,10). Dit was naar aanleiding van hetgeen de schriftgeleerden zeiden: Hij spreekt godslasterlijk! Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen? (Mc 2,7). En hier zegt Hij: De Mensenzoon is dus Heer ook van de sabbat." Hij oordeelt over wat op sabbat geoorloofd is.
Eigenlijk moet dit allemaal gezien worden tegen de achtergrond dat Jezus tenslotte het slachtoffer is geworden van de Wet. Hij werd immers op grond van de Wet veroordeeld. "Wij hebben een Wet en volgens die Wet moet Hij sterven, omdat Hij Zich voor de Zoon van God heeft uitgegeven" (Joh 19,7). Hij heeft Zich uitgegeven voor God, en daarmee heeft Hij God gelasterd, en daarom moet Hij sterven.
De Wet heeft dus iets gevaarlijks. "Werd de Wet door Mozes gegeven, de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus" (Joh 1,17). Is de Wet dan slecht? Nee, de Wet is goed, zoals ook de Regel (van Benedictus) heel goed is, maar wel in de hand van de abt. De Wet is goed, maar alleen uitgelegd in vereniging met Jezus Christus, onze Heer. In zijn Geest, geïnterpreteerd door zijn Geest, door zijn Hart. Dáár kijkt God naar, zoals we in de eerste lezing hebben gehoord. Hij kijkt niet naar de rijzige gestalte, niet naar het uiterlijk, maar Hij let op het hart.