Vrijdag in de tweede week
     van het even jaar


Eerste lezing: 1 Samuël 24,3-21
Evangelie: Marcus 3,13-19


Inleiding  

'Recht zal op aarde geschieden en vrees en geweld zullen vlieden, waar Ik het leven behoed.' Het is de wijsheid van de liefde die hier wordt bezongen. In de eerste lezing behoedt David het leven van zijn vijand, koning Saul, die aan hem is overgeleverd maar niet door hem wordt gedood. Dát is de wijsheid van de liefde, dát is het nieuwe recht. Jezus levert Zich over aan de mensen, terwijl Hij weet dat ze Hem zullen doden, en toch wordt Judas Iskariot vandaag in het evangelie door Jezus gekozen als een van zijn leerlingen. Het nieuwe recht is genaderecht.
Belijden wij dan onze schuld om deze heilige geheimen, waarin de Gezalfde des Heren Zich opnieuw aan ons overlevert, goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd ging Jezus de berg op en riep tot Zich die Hij zelf wilde;
en zij kwamen bij Hem.
Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen
en door Hem uitgezonden te worden om te prediken,
met de macht de duivels uit te drijven.
Hij wees dus deze twaalf aan;
aan Simon gaf Hij de naam Petrus;
verder Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Johannes, de broer van Jakobus,
aan wie Hij de naam Boanérges gaf, wat betekent: zonen van de donder;
vervolgens Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Thomas,
Jakobus de zoon van Alfeüs,
Taddeüs, Simon de IJveraar en Judas Iskariot,
die Hem overgeleverd heeft.

Homilie  

De verzoening van Saul met David was van tijdelijke aard. Het was meer een diplomatiek gebaar, het gevolg van een emotionele opwelling. De zoon van Saul, Jonathan, was tussenbeide gekomen, maar de wortel van de haat, van de afgunst, was in het hart van Saul blijven zitten. Nu komt daar een nieuw onheil uit voort. Met drieduizend uitgelezen manschappen ging hij op zoek naar David en zijn mannen om hem te doden. En door omstandigheden valt degene (Saul) die de ander (David) zocht de ander in handen. Koning Saul valt koning David in handen; de ene koning overgeleverd aan de andere. De koning van de macht en de koning van de vrede, van de verzoening. Want de mannen van koning David zeiden: "Dit is het ogenblik dat de Heer bedoelde toen Hij u zei: Ik lever uw vijand aan u over. Doe met hem wat gij wilt. Maar David zei tot zijn mannen: De Heer beware mij ervoor dat ik mij zou vergrijpen aan mijn heer, de gezalfde van God, dat ik de hand zou slaan aan hem, die de gezalfde van de Heer is.” David sloeg niet de hand aan Saul, niet omdat deze zo'n goede man is, maar omdat hij de gezalfde van de Heer is. “Met deze woorden hield David zijn mannen in bedwang en liet niet toe dat zij zich op Saul wierpen."

Hetgeen David en zijn mannen onder elkaar bespraken, zegt hij ook nog eens tot Saul, om zich in het openbaar te verplichten aan de woorden die hij tot zijn mannen sprak. "U ziet nu met uw eigen ogen dat de Heer u in de spelonk aan mij had overgeleverd. Ze wilden u doden, mijn mannen, maar ik heb u gespaard en gezegd: Ik vergrijp mij niet aan mijn heer, want hij is de gezalfde van God." Hier zien we hoe in het Oude Verbond het nieuwe koningschap van het Nieuwe Verbond oprijst, en dat werd door Saul, nota bene de vijand, nog eens plechtig bevestigd. Saul zei tot David: "Gij zijt rechtschapen, ik niet, want terwijl ik u kwaad doe, behandelt gij mij goed." Dat is het nieuwe koningschap. Niet kwaad met kwaad vergelden, maar kwaad vergelden met goed.

"Vandaag hebt gij getoond dat ge het goed met mij voorhebt. De Heer heeft mij aan u overgeleverd en toch hebt gij mij niet gedood. Wie laat ooit zijn vijand ongedeerd heengaan, als hij hem in handen krijgt?” Dat is het nieuwe koningschap en daarvan is David het prototype, de schaduw van onze Heer Jezus. “Nu weet ik dat gij koning wordt en dat de koninklijke macht over Israël in uw handen zal blijven." Het is het koningschap van genade, van vergiffenis, zodat ons woord 'royaal', dat 'koninklijk' betekent, een woord is geworden voor ruimhartig, vrijgevig. Koning zijn, dat is niet de macht doen gelden maar dat is barmhartigheid uitoefenen.

Jezus is Degene die dat helemaal heeft ingevuld, waargemaakt. Hij kiest zijn eigen mannen, twaalf in getal. "Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen", het twaalfstammen volk, als opvolger van het oude twaalfstammen volk. Het is een nieuw volk en dat nieuwe volk wordt bezield door een nieuwe geest, want onder hen bevond zich ook Judas Iskariot, die Hem overgeleverd heeft. En toch wees Jezus deze twaalf aan, inclusief Judas Iskariot. Jezus wist dat hij Hem zou overleveren, en toch wilde Hij dat het zo gebeurde. "Hij riep tot Zich die Hij zelf wilde." De nieuwe Koning stelt zijn eigen overleveraar aan. Hij heeft Zich overgeleverd, om zo de kettingreactie van de boosheid te doorbreken. Dat wordt ook iedere keer weer bij de consecratie gezegd: 'Dit is mijn Bloed dat vergoten wordt tot vergiffenis van de zonden.'

David haalt voor Saul het oude spreekwoord aan: "Van boosheid gaat boosheid uit." Als boosheid met boosheid wordt beantwoord, dan komt daar weer nieuwe boosheid van; het leidt tot een kettingreactie van kwaad. Díe kettingreactie van het kwaad heeft Jezus doorbroken door het kwaad niet met kwaad te vergelden, maar het kwaad te dragen, te dulden, te vergeven en zo te verlossen.

In de Kerk herhaalt zich dat geheim van het Oude en van het Nieuwe Verbond in de navolging van Jezus; daar leveren mensen zich ook aan elkaar over. Ze zijn aan elkaar overgeleverd. Jezus is aan u overgeleverd in de dienst van uw roeping; elke keer als u hier bent voor de aanbidding, voor het eerherstel, levert Jezus Zich over aan u. En ook de mensen zijn als volgelingen van Jezus aan elkaar overgeleverd. Hun goede naam, hun eer, hun welzijn. Het zijn allemaal gezalfden. Christen betekent toch: gezalfd door de Geest des Heren, door de Geest van God, de Geest van Jezus. Hoe gaan we met elkaar om? Hoe gaan we met Jezus om, de Gezalfde bij uitstek, als Hij Zich straks aan ons overlevert in de heilige communie? De wijze waarop wij met Hem omgaan is beslissend voor de wijze waarop wij met elkaar omgaan.