Donderdag in de tweede week
     van het oneven jaar
              Heilige Vincentius, diaken en martelaar

Eerste lezing: Hebreeën 7,25-8,6 [II 19];
Evangelie: Marcus 3,7-12 [II 20]


Inleiding  


'Gij kent de Heer als uw toevlucht.' Hoe ken je de Heer? Wanneer weet je wat van Hem? Als je Hem kent als je toevlucht. Als je weet dat Hij jou kent, als je weet dat Hij je bij je naam kent. Dat wordt vandaag in de viering, waarbij de heilige Vincentius als diaken en martelaar herdacht wordt, op een bijzondere wijze duidelijk. Vincentius is een heilige diaken, hij is de derde heilige diaken-martelaar van onze Kerk. Stefanus, uit Jeruzalem, uit de Griekse kring, is de eerste; Laurentius, uit Romeinse kring, is de tweede, en Vincentius, de heilige van vandaag, uit Spaanse kring, is de derde. Ze hebben alle drie gediend (diaken = dienaar), maar wat ze nu precies hebben gediend, waarin ze nu precies diaken zijn geweest, is niet even duidelijk. Laurentius zorgde voor de armen en Stefanus deed ook iets dergelijks, hij had de zorg voor de weduwen, waarover ruzie ontstaan was, maar van Vincentius weten we eigenlijk niet waaruit zijn diakendienst bestond.
De reden waarom ze gevierd worden is dat ze gediend hebben met hun leven. "Zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mt 20,28; vgl. Mc 10,45). Je kunt dus blijkbaar dienen, velen dienen, door je leven te geven, door je 'ik' op te geven. Alleen God weet het, niemand anders. Omdat Hij je kent, kun je het opbrengen zo zelveloos te leven, zo zelveloos te dienen. Daartoe zijn wij allemaal in staat. Waar wij ook staan, we kunnen altijd ons 'ik' opgeven. Niets is moeilijker, maar ook niets is kostbaarder.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen weg
in de richting van het meer.
Maar een grote volksmenigte uit Galilea ging Hem achterna;
er kwamen ook vele mensen uit Judea, Jeruzalem, Idumea,
het Overjordaanse
en uit de streek rond Tyrus en Sidon tot Hem,
omdat ze hoorden wat Hij allemaal deed.
Hij droeg zijn leerlingen op
te zorgen dat er een bootje voor Hem bij de hand was,
als voorzorg tegen het opdringen van de menigte.
Want Hij had er velen genezen,
met het gevolg dat allen die aan kwalen leden,
op Hem aandrongen om Hem aan te raken.
Zelfs de onreine geesten vielen, als zij Hem zagen,
voor Hem neer en schreeuwden:
“Gij zijt de Zoon van God.”
Maar Hij verbood hun met klem Hem bekend te maken.
             
Homilie  

“Jezus trok met zijn leerlingen weg in de richting van het meer.”
Jezus begint voor Zichzelf. Hij doet dat, nadat Hij een aantal confrontaties had meegemaakt met de Farizeeën en schriftgeleerden, de leiders van het volk, hetgeen tenslotte uitliep op een afscheiding. “De Farizeeën gingen naar buiten en aanstonds smeedden zij met de Herodianen plannen om Hem uit de weg te ruimen" (Mc 3,6). Daarna begint Jezus voor Zichzelf. Hij doet dat door met zijn leerlingen in de richting van het meer te gaan. Hij gaat weg, Hij trekt Zich terug. Dat is het woord dat de monniken gebruikten voor hun naar de woestijn gaan: zich terugtrekken. In het Grieks 'anachorèsis'. U kent dat woord misschien niet zo, maar wel dat andere woord dat daarvan is afgeleid: de 'anachoreten', de 'terugtrekkelingen'. Dat terugtrekken is een antwoord op de farizeese kritiek en dat is het fundament van de Kerk. De Kerk begint een eigen bestaan buiten de wereld, buiten de samenleving.

In het Romeinse rijk was er op een gegeven ogenblik geen plaats meer voor de aan God toegewijden, voor deze 'anachoreten', en daarom trokken zij zich terug naar wat toen een vrije plaats was, een open plaats: de woestijn. Voor Jezus is dat het meer. "Jezus trok met zijn leerlingen weg in de richting van het meer." Vroeger was dat voor de monniken de woestijn, voor u (de zusters van priorij Nazareth) is dat het klooster, voor de gelovigen in het algemeen is dat de Kerk. En voor álle gelovigen, in het klooster of erbuiten, is dat de situatie van het gebed, is dat het eigen hart, daar waar de mens alleen is met God.

Er is een schrijven van de heilige Bruno en dat gaat over dat leven van de monnik in de woestijn, het leven in de kluis en wel de kluis van zijn eigen hart. Ik ken iemand, een jongeman die gewoon in de wereld leeft, die die tekst gelezen had, en er zo door gegrepen werd, dat hij het meteen helemaal overnam. Dat was waar hij ook van leefde; dat sprak hem aan in zijn eigen hart. De cel is bewoond door een liefhebbende Vader. In zijn zachtmoedigheid en zijn almacht gaat Hij er vastberaden mee door zijn kind dag na dag zijn eigen plannen te laten verliezen, zijn illusies, zijn macht, zijn menselijke steun, zijn troost, zijn zekerheden, opdat stilaan het geloof de wezenlijke klaarheid wordt van zijn kind op weg naar de heiligheid. De cel is de smeltkroes waar God het stenen hart van de mens verandert in een hart van vlees. In de cel daalt de mens af tot op de diepte van zijn armoede, tot op het dieptepunt van zijn verlatenheid. Maar juist dáár ontmoet hij Hem die Zich uit liefde heeft overgeleverd aan een doodsstrijd, aan een vreselijke, smartelijke, maar verheerlijkende dood. Wanneer de leerling van Jezus de oppervlakte van zijn persoon verlaat, wordt hij naar de eenzaamheid geleid op die diepte van zijn hart, waar niets anders is dan de aanwezigheid en de wil van zijn Heer. Een eigen gebied, een eigen terrein met een eigen ordening buiten de samenleving, begrensd, afgescheiden, om zo het Heilige der Heiligen binnen de wereld, tussen de zondaars, als heilig te kunnen ontvangen en te bewaren. Zo is dat in het klooster en zo is dat in het hart van iedere gelovige.

Daarheen trok Jezus Zich terug, daarheen trekken alle gelovigen zich terug om zich te herbronnen, om te putten uit de bron van het levende water, om de voorraadschuur van het echte, geestelijke voedsel te openen en daar te verblijven.
Denk daar nu een ogenblik over na, om in die diepte af te dalen, en de spijs te ontvangen die Hij geven wil.