Vrijdag in de tweede week
   van het oneven jaar
Eerste lezing: Hebreeën 8,6-13 [II 21];
Evangelie: Marcus 3,13-19 [II 22]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd ging Jezus de berg op en riep tot Zich die Hij zelf wilde;
en zij kwamen bij Hem.
Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen
en door Hem uitgezonden te worden om te prediken,
met de macht de duivels uit te drijven.
Hij wees dus deze twaalf aan;
aan Simon gaf Hij de naam Petrus;
verder Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Johannes,
de broer van Jakobus,
aan wie Hij de naam Boanerges gaf,
wat betekent: zonen van de donder;
vervolgens Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Thomas,
Jakobus de zoon van Alfeüs,
Taddeüs, Simon de IJveraar en Judas Iskariot,
die Hem overgeleverd heeft.

Homilie  


Gisteren het heiligdom dat slechts een kopie, een schaduw was van de hemelse heerlijkheid. De nieuwe bediening vindt plaats in het waarachtige heiligdom. En vandaag het volk Gods zelf. Wat is voor het volk van God nu het nieuwe van het Nieuwe Verbond? Wat is nu de andere kant van het verbond? Vandaag wordt gezegd: "Er komen dagen, zegt de Heer, dat Ik met het Huis van Israël en het Huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten." En wat is nu het nieuwe van het Nieuwe Verbond? Het is zonder fout. Maar zijn wij zonder fouten? Het eerste verbond, wordt er gezegd, was niet zonder fout en daarom moest er een nieuw verbond komen. Worden er in het nieuwe verbond dan geen fouten gemaakt? Als wij zonder fout zouden zijn dan zouden er geen ongerechtigheden te vergeven zijn en dat er wel ongerechtigheden te vergeven zijn, blijkt uit de woorden: "Allen zullen ze Mij kennen, van de kleinste tot de grootste, want Ik zal hun ongerechtigheden vergeven en hun zonden niet langer gedenken."

Wat is er dan zonder fout in het nieuwe verbond. Er worden nog steeds fouten gemaakt, het zondigen gaat door, maar de zonden worden vergeven. Daarvoor is het nodig dat wij zien dat we zondaars zijn. Dat is dan ook de grote opgave van het leven in het nieuwe verbond. Dat je steeds beter ziet dat je een zondig mens bent. Dat je vooruit gaat door te zien hoe ver je van Hem af bent. Het lijkt alsof je achteruit gaat, je ziet beter dat je een zondig mens bent en dat de zonde overal zit, de zelfzucht, het eigen belang. En dat je dan niet moedeloos wordt, maar je gerechtigheid laat bestaan in het vertrouwen op zijn barmhartigheid. Het besef dat wij zondaars zijn, moet gepaard gaan met het beter weten dat God barmhartig is, dat Hij onze ongerechtigheden vergeeft, en onze zonden niet langer gedenkt.

Dus het nieuwe van het nieuwe verbond zijn niet de mensen, maar is Jezus, de Verbondsmiddelaar. Híj is volmaakt, Híj is zonder zonde en voor de zondige mensen heeft Hij een volmaakte barmhartigheid, daartoe werden de leerlingen geroepen. Op de berg, de heilige berg, waar de aarde ophoudt en de hemel begint, op die heilige berg is Jezus thuis en daarheen roept Hij zijn leerlingen. Maar Hij roept ze niet zozeer naar de berg, maar Hij roept ze naar Zich. "Hij riep ze tot Zich." Jezus is de berg hier op aarde, de kleine berg Sion, die uitsteekt boven het vlakke landschap van het gewone menselijke leven in de zonde, en die berg reikt tot in de hemel. "Hij riep tot Zich wie Hij zelf wilde." Na een kennismakingsperiode, zoiets als een stage, een voorbereidingstijd. Zo'n kennismakingsperiode kan lijken op de voorbereidingstijd voor een examen, en als je goed je best doet, haal je het. En als je het haalt, dan is dat het resultaat van je eigen inspanning. Het is een beloning. Nee, niet de mensen hebben gewild, niet de leerlingen hebben gewild, maar Híj wilde: "Hij riep tot Zich wie Hij zelf wilde."

Hij wees hen aan. "Simon, die Hij de naam Petrus gaf, Johannes en Jakobus aan wie Hij de naam Boanerges gaf”, en dan - de anticlimax - “Judas, Iskariot, die Hem overgeleverd heeft." Hij die boven alles uittorent, Hij wordt verraden. En Hij wist het. Dus toch niet wat er in de brief aan de Hebreeën staat: "een volk dat zijn Heer kent", want Judas kende Hem niet, Judas wilde Hem niet kennen, maar "dat volk dat de Heer kent", dat met een nieuwe Geest bezield is, de eerste van dat volk is Jezus zelf. Jezus blijft trouw. Zijn trouw werd de onze.

Dat we dan zo bij Hem zijn in het verraden worden, in het overgeleverd worden aan onze zonden en dat Hij dat wil. Hij wil Zich overleveren om zo voor God een toebereid volk te vormen. Vergiffenis van de zonde, wat wij in iedere eucharistie vieren.