Dinsdag in de tweede week van Pasen
             Heilige Anselmus, bisschop en kerkleraar


Eerste lezing: Handelingen 4,32-37 [I 176]
Evangelie: Johannes 3,7-15 [I 177]


Inleiding      

De heilige van wie wij vandaag de gedachtenis vieren, Anselmus, werd in Aosta, in de Italiaanse provincie Piëmonte geboren. Hij trad in Normandië in bij de Benedictijnen en werd later benoemd tot aartsbisschop van Canterbury in Engeland. Hij leefde in de tijd dat Europa al Europa was. Anselmus was een denker, hij is eigenlijk zoveel als de grondlegger van de scholastiek. Zonder nu direct een school of volgelingen te hebben, had hij meer algemene invloed. Tot op de dag van vandaag worden zijn argumenten en zijn Godsbewijzen besproken in de theologie. Het was een man met een geweldige invloed. Die invloed is niet anders te verklaren, dan dat zijn inspiratie werd bekrachtigd door de heilige Geest. Daarom sloeg het zo aan.
Jezus' woord en zijn Lichaam, zijn zelfgave, kan er bij ons alleen maar ingaan als we ons laten leiden door de heilige Geest, waardoor wij een openheid en een ontvankelijkheid voor God krijgen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot Nikodémus:
“Voorwaar, voorwaar Ik zeg u:
gij moet opnieuw geboren worden.
De wind blaast waarheen hij wil;
gij hoort wel zijn gesuis,
maar weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat;
zo is het met ieder die geboren is uit de Geest.”
Nikodémus gaf Hem ten antwoord:
“Hoe kan dat geschieden?”
Daarop zei Jezus weer:
“Gij zijt een leraar van Israël en weet dat niet eens?
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Wij spreken over wat Wij weten,
en Wij getuigen van wat Wij gezien hebben,
maar onze getuigenis aanvaardt gij niet.
Wanneer gij zelfs niet gelooft
als Ik u spreek over dingen die op aarde reeds bekend zijn,
hoe zult gij dan geloven,
als Ik u spreek over dingen die nog in de hemel verborgen zijn?
Nooit is er iemand naar de hemel opgeklommen,
tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Mensenzoon.
En deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven,
zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn,
opdat eenieder die gelooft
in Hem eeuwig leven zal hebben.”

Homilie  

“In die tijd zei Jezus tot Nikodémus …"
. Het gesprek van Jezus met Nikodémus vond plaats in de nacht. Wanneer de evangelist zo'n aanduiding geeft als 'nacht', bedoelt hij daar meer mee dan alleen een tijdsaanduiding. De tijdsaanduiding is meer de buitenkant van een binnenkant, want het gaat hier om de nacht van het ongeloof. Het licht dat Jezus is, schijnt hier in de duisternis en je voelt in alles: "de duisternis nam het niet aan (Joh 1,5). Uit de vragen van Nikodémus spreekt ongeloof. “Hoe kan dat geschieden?” … “Hoe kan een mens geboren worden als hij al oud is?" (Joh 3,4).
Eigenlijk zijn het geen vragen waarop hij een antwoord verwacht. Het zijn meer stellingen dan vragen, tegenwerpingen: 'maar dat kán toch niet'. Opnieuw beginnen, ernst maken met je bekering, een nieuwe wereldgeschiedenis, dat kan toch niet! Echte geestelijke vernieuwing, dat kan toch niet. Alles kan, als je maar gelooft. Het vlees is hier aan het woord en zegt: dat kan niet. Maar "wat geboren is uit het vlees, is vlees, en wat geboren is uit de Geest, is geest” (Joh 3,6).

“De menigte die het geloof had aangenomen was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde, integendeel zij bezaten alles gemeenschappelijk",
hoorden we in de eerste lezing. Dat is nu echt wat voor de mensen wereldvreemd is. Iets wat onmogelijk is. Dat kan toch niet. En toch bestaat het, het is gebeurd, dus kan het wél. Als iets ís, kán het ook! Misschien denk je: daar ben ik nog niet aan toe. Of: zoiets kun je van mensen niet vragen, dan overvraag je ze. Hardlopers zijn doodlopers. De soep wordt niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Maar daarin gaat Jezus niet met je mee.

Jezus verwijt Nikodémus zijn ongeloof. "Gij zijt een leraar van Israël en weet dat niet eens?” … “Onze getuigenis aanvaardt gij niet." Wat is dat dan voor een getuigenis? Jezus vraagt geen geloof in de eigen kracht, maar Hij vraagt geloof in Hem die leeft uit Gods kracht, uit de kracht van de hemel. Dat is dan ook het sleutelwoord over de dingen die in de hemel verborgen zijn. "Nooit is er iemand naar de hemel opgeklommen, tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Mensenzoon." Daarmee openbaart Jezus: Ik kom uit de hemel en vanuit de hemel krijg Ik goddelijke kracht om die onmogelijke wereld van de hemel, met zijn onmogelijke aanspraken, hier op aarde realiteit te laten worden. Dát is zijn getuigenis. Hij getuigt dat het met Gods kracht wél mogelijk is. Jezus brengt de hemel van boven naar beneden. Aan het kruis zal Hij omhoog geheven worden, dat betekent: van goddelijke inspiratie voorzien, gedragen en door een goddelijke liefde bezield, dat is die kracht uit de hemel. Door het kruis en de verrijzenis heeft Jezus die onmogelijkheden voor ons mogelijk gemaakt.

Als je niets kunt, als je het niet meer ziet zitten, dan gaat daar voor jou de hemel open. Jezus zag het ook niet meer zitten, Hij was ook aan het einde, maar juist daarin draaide de wereld om van een wereld van vlees en bloed, van zwakheid en lafheid, van zonde en dood, naar een wereld van nieuwe liefde, van vrijmoedigheid, van durf. Uit de hemel stroomt de liefde van God uit het geopende Hart van Jezus de wereld in, en ook ons eigen hart binnen. Geloof dat de situatie van deze dag iets is dat moet gebeuren. Zoals Jezus ziet dat de Mensenzoon omhoog geheven móet worden.

Dat is niet het moeten van het lot, van de onvermijdelijkheid van de factoren van de natuur of de geschiedenis, van het lichaam of van je karakter, van deze mensen. Nee, het is een heilig moeten; het heilige moeten van deze dag. Dat houdt in dat je de situatie van deze dag maakt tot een heilige plek, waarop vanuit de hemel hemelse liefde neerdaalt, zoals dat plaats vond bij de christenen in de Handelingen van de Apostelen. Dan kun je in liefde precies datgene doorstaan waarvan je vanuit jezelf alleen maar kunt zeggen: dat is onmogelijk.

Zoals dat gebeurde met de Joden: ze waren gebeten door de giftige slang van de hoogmoed, of de moedeloosheid. Daarom moesten ze een koperen slang maken en deze werd in plaats van iets dat onheil bracht, iets dat hen genas.
Zo is het ook met onze zwakheid. Door Jezus wordt dat precies het omgekeerde. Het wordt kracht vanuit Hem, vanuit zijn goddelijk Hart.