Donderdag in de tweede week van Pasen
          Heilige Adelbertus, bisschop en martelaar
                     Heilige Gregorius, martelaar


Eerste lezing: Handelingen 5,27-33 [I 180]
Evangelie: Johannes 3,31-36 [I 181]


Inleiding    

'Gij hebt mijn leven gered.' Dat zingen wij vandaag bij de gedachtenisviering van de heilige Adelbertus van Praag, bisschop en martelaar. Maar God heeft zijn leven juist niet gered; 'Hij heeft hem geheiligd in de marteldood', zoals het openingsgebed zegt. God heeft het leven van Adelbertus gered door het lijden en de dood heen. God heeft hem geheiligd door het lijden. Dat lezen we ook in de Handelingen van de Apostelen. De apostelen moesten verschijnen voor het Sanhedrin: "Zij lieten de apostelen geselen … en stelden hen in vrijheid. Zij (de apostelen) verlieten het Sanhedrin, verheugd dat zij waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de Naam" (Hnd 5,40.41). Dat is waar de verheffing begint: in hun eigen innerlijk. Dat is de weg van de verlossing: ons laten onttrekken aan de eer van de mensen, om zo door God geëerd te kunnen worden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot Nikodémus:
“Wie van boven komt, staat boven allen.
Wie van de aarde is,
behoort tot de aarde en spreekt de taal van de aarde.
Wie uit de hemel komt, staat boven allen.
Hij legt getuigenis af van wat Hij zag en hoorde,
maar toch aanvaardt niemand zijn getuigenis.
Wie zijn getuigenis wel aanvaardt,
bezegelt daarmee dat God waarachtig is.
Want Hij, die door God gezonden is,
spreekt Gods eigen woorden:
zo mateloos schenkt God zijn Geest.
De Vader heeft de Zoon lief
en heeft Hem alles in handen gegeven.
Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.
Wie weigert in de Zoon te geloven, zal het leven niet zien,
integendeel, de toorn Gods blijft op hem.”

Homilie  

Gisteren hoorden we in de eerste lezing hoe de apostelen, van vrienden verlaten en overgeleverd aan hun doodsvijanden, gegrepen werden, en hoe de hogepriester en heel zijn aanhang hen in de stadsgevangenis gezet hadden. Maar we hebben ook gehoord hoe ze door een wonderbaar ingrijpen plotseling werden verlost uit hun benarde situatie. "In de nacht ontsloot een engel des Heren de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten." En nu horen we dat ze opnieuw gevangen zijn genomen en voor het Sanhedrin worden gebracht. Waarvoor diende die bevrijding dan? Welnu, door die wonderlijke bevrijding, door dat ingrijpen van bovenaf, is in hen het vertrouwen in Hem die zij verkondigden, gegroeid. Ze moesten eerst aan den lijve ervaren dat Hij inderdaad boven hen staat, en eveneens boven hun vijanden en boven alle machten en krachten van deze wereld. Precies zoals Jezus vandaag, nog steeds in gesprek met Nikodémus verkondigt: "Wie uit de hemel (van boven) komt, staat boven allen.” Hij komt van boven. Hij staat boven allen. Die ervaring hadden zij hard nodig, want nadat ze gezegd hadden: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen”, ontstaken de hogepriesters in woede en besloten hen te doden. En ook daar staan zij boven, “want wie van boven komt, staat boven allen", óók boven hen die hen dreigen het leven te ontnemen.

Jezus zegt: "Wie van boven komt, staat boven allen,”
en “wie van de aarde is, behoort tot de aarde en spreekt de taal van de aarde." Zo kan alleen Jezus spreken. Want wie van ons zal van zichzelf kunnen zeggen dat hij van boven komt, of van iets wat daarop lijkt? Maar wie van ons zal ook van zichzelf of van een ander kunnen zeggen: ik ben van de aarde, ik ben helemaal van beneden, ik ben helemaal niet van God. We zijn noch het een noch het ander. We zijn noch van God, en noch van de aarde, noch van deze wereld. We zijn een engel in het vlees; goed van wil, maar zwak door het vlees. De wil is goed, maar het vlees is zwak.

Toch is er Iemand die dat wél van Zichzelf kan zeggen. Daar hoeven we niet meer naar te zoeken: "Wie van boven komt, staat boven allen,” en “wie uit de hemel komt, staat boven allen." Wat Jezus bij God in de hemel zag en hoorde, daarvan legde Hij bij ons getuigenis af. Hij was onder ons als een gezondene van God. Hij spreekt Gods eigen woorden. In Jezus is God zelf aan het woord.
Misschien denkt u bij uzelf: wat hebben wij nu aan woorden? Wat is er vluchtiger dan een woord? We willen geen woorden, maar daden. Maar aan de woorden van Jezus heb je véél meer dan aan de woorden van mensen. Want de woorden van Jezus zijn waar gemaakt door zijn vrijwillige offerdood. Hij heeft de prijs van zijn leven voorzien, en toen "gaf Hij de Geest" (Mt 27,50; vgl. Mc 15,37; Lc 23,46; Joh 19,30).

Dat is de kracht, de hemelse kracht waarvan de woorden van Jezus vergezeld gaan. Hij sprak als Iemand die gezag bezit, volmacht. Hij die onder ons is geweest, is door zijn verrijzenis nog steeds bij ons en Hij spreekt nog steeds tot ons door zijn evangelie. Hij bezielt ons nog steeds met zijn Geest. "Hij spreekt Gods eigen woorden” en geeft ons zijn eigen Geest. “Zo mateloos schenkt God zijn Geest." Daarmee hebben wij alles! Hij die boven alles en boven allen is, Hij is ook in ons.

Dat betekent heel eenvoudig dat, als we over het evangelie bidden, als we de woorden van Jezus in ons opnemen, in ons verstand maar vooral in ons hart, als we ons ermee vereenzelvigen, daar een mateloos geestesbezit in verscholen ligt. Een brandend vuur neemt bezit van ons hart. "Brandde ons hart niet in ons, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften verklaarde?" (Lc 24,32) Dat overkwam de Emmaüsleerlingen, en wie van ons zou durven beweren dat het hem of haar ook niet eens is overkomen?

Maar wat te denken van die vele momenten, hele periodes misschien, dat we helemaal niets ervaren of juist het tegendeel? Verzet, opstandigheid, verveling. Waar blijft dan dat mateloze geestesbezit? We zouden er moedeloos van worden, dat er meer niet dan wel sprake is van geestesbezit. Maar er is geen sprake van alleen maar geestesbezit, maar van mateloos geestesbezit. Dat betekent dat er in ons altijd iets gebeurt dat ver uitstijgt boven wat we kunnen zien, voelen en ervaren. Ook al ervaar je nog zoveel of weinig: God geeft Zichzelf in het gebed,  Hij geeft Zich mateloos; Hij is boven allen en alles. Alles wat we bij het gebed opmerken is daarmee vergeleken buitenkant, oppervlakkig. Je moet je er niet op blindstaren en het niet zo erg vinden als er niets is, of als er minder is dan anders, en je moet het ook niet erg vinden als er helemáál niets is. Want in het Woord ontvangen wij Jezus zelf, precies zoals wij Hem in het Sacrament ontvangen. Hij is het die wij ontvangen en Hij is mateloos. Wat we daarbij voelen, wat we daarbij ervaren, de ene keer meer en de andere keer minder, de een meer, de ander minder, is van geen belang. Dat is ondergeschikt. Hetgeen je krijgt zonder dat je dat voelt, is voor ons allemaal hetzelfde. Gaat u maar na bij de heilige communie. Wij allemaal krijgen God in handen én zijn Geest, zijn mateloze Geest!

Staar je dus niet blind op wat je bij de heilige geheimen denkt, of wat je daarbij ondervindt, of voelt, of wat je daarbij niet ondervindt of niet voelt, maar kijk naar je geloof. Wat je gelooft, wat je in blind geloof, zonder gevoel, aanneemt, dát is waar het om gaat. Ook al zie je niets en voel je niets, leg bij je gebed, bij het ontvangen van de sacramenten, het referentiepunt altijd verder dan wat je hoort en wat je voelt. Leg je referentiepunt bij Hem, die Zich vanuit alles wat je te boven gaat meedeelt aan ieder van ons, in zijn totale volheid. Ontvang zijn woord met zulk een geloof en ontvang Hem in het Sacrament met zulk een vertrouwen.