Heilige Fidelis van Sigmaringen, priester en martelaar
Eerste lezing: Handelingen 5,34-42 [I 182]
Evangelie: Johannes 6,1-15 [I 183]
Inleiding
Zo'n herder voor een kudde gelovigen was de heilige Fidelis van Sigmaringen, priester en martelaar. Hij leefde in de overgang van de zestiende naar de zeventiende eeuw, was advocaat voor armen, werd later zelf arm, trad in bij de orde van de Kapucijnen en werd daar overste. Hij was zelfs een tijdlang bij het leger, aalmoezenier, en werd tenslotte als missionaris gezonden naar Zwitserland, waar de calvinistische interpretatie van het christelijk geloof vaste voet had gekregen. Door de Calvinisten uitgedaagd om in een van hun kerken te preken, wat hij deed, stonden ze hem na afloop op te wachten en knuppelden hem neer. Hij stierf met de woorden: 'Eén God, één geloof, één doopsel'. Hij heeft voor God gekozen. En God voor Hem!
Jezus stelt zijn leerlingen voor de keuze: helemaal of helemaal niet. Dat is de keuze die wij ook steeds op ons mogen laten afkomen: kiezen voor Hem. Dat wij voor die keuze terugschrikken, dat we daaraan afbreuk hebben gedaan, is dat niet onze zonde?
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die dagen begaf Jezus Zich naar de overkant
van het meer van Galilea, bij Tiberias.
Een grote menigte volgde Hem
omdat zij de tekenen zagen die Hij aan de zieken deed.
Jezus ging de berg op
en zette Zich daar met zijn leerlingen neer.
Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden.
Toen Jezus zijn ogen opsloeg
en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam
vroeg Hij aan Filippus:
Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?
- Dit zei Hij om hem op de proef te stellen,
want zelf wist Hij wel wat Hij ging doen. -
Filippus antwoordde Hem:
Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen
dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.
Eén van zijn leerlingen,
Andreas, de broer van Simon Petrus merkte op:
Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen,
maar wat betekent dat voor zo'n aantal?
Jezus echter zei:
Laat de mensen gaan zitten.
Er was daar namelijk veel gras.
Zij gingen dan zitten;
het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend.
Toen nam Jezus de broden
en na het dankgebed gesproken te hebben
liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten,
alsmede de vissen, zoveel men maar wilde.
Toen ze verzadigd waren, zei Hij tot zijn leerlingen:
Haalt nu de overgebleven brokken op
om niets verloren te laten gaan.
Zij haalden ze op
en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken,
welke door de mensen na het eten overgelaten waren.
Toen de mensen het teken zagen dat Hij had gedaan zeiden ze:
Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen.
Daar Jezus begreep dat zij zich van Hem meester wilden maken
om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen,
trok Hij Zich weer in het gebergte terug,
geheel alleen.
Homilie
De mensen van het Sanhedrin "riepen de apostelen, lieten hen geselen, verboden hun te spreken in de Naam van Jezus en stelden hen in vrijheid.
De apostelen verlieten het Sanhedrin verheugd dat zij waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de naam van Jezus."
De apostelen spreken hier niet van lichamelijke pijn, maar van smaad, geestelijke pijn. Dat is het eigenlijke van het lijden. Dat je van je voetstuk gestoten wordt; dat je geestelijk naar beneden gehaald wordt. Dat noemen we vernedering, naar beneden, nederig. Als iemand dat aan zich laat gebeuren, als je goed vindt dat ze je je eer onthouden en dat in smaad omzetten, als je je door de mensen uit hun handen en hun harten laat wegstoten, dan gebeurt er iets wonderlijks. Want dan wordt iemand diep in zijn binnenste opgevangen, dan wordt hij, zoals Jezus zegt, door de Vader geëerd. "Als iemand Mij dient, dan zal de Vader hem eren" (Joh 12,26). Dat is de wet van de verlossing. Wie zich vernedert, wie vernederingen aan zich laat gebeuren, wie zich van zijn voetstuk laat stoten bij de mensen, zal verheven worden door God. Maar "wie zichzelf verheft, zal vernederd worden" (door God), zal door God van zijn voetstuk gestoten worden (Mt 23,12; vgl. Lc 14,11; 18,14). Dat eerste gebeurde dus aan de apostelen, zoals we in de eerste lezing gehoord hebben.
"Zij gingen door met dagelijks in de tempel en in de huizen onderricht te geven en de Blijde Boodschap te verkondigen, dat Jezus, de verachte, de Messias, de geëerde, de verheerlijkte was." En wat zij verkondigden met hun mond, met woorden, dat straalden zij uit door de blijdschap bij die smadelijke behandeling door het Sanhedrin. "De apostelen verlieten, na de geseling, het Sanhedrin verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de naam van Jezus." Dat zat goed, dat voelde goed. Maar dat is wel een geestelijk gevoel, een goddelijk gevoel, een beweging van de heilige Geest.
Hoe zit het nu met de grote menigte die Jezus volgde? Die mensen lieten zich door het teken van de wonderbare broodvermenigvuldiging niet voeren naar de werkelijkheid waarvan deze broodvermenigvuldiging een teken was, namelijk naar de Vader; ze bleven bij Jezus hangen, dat wil zeggen: bij zichzelf, bij de menselijke eer. Dat gebeurt dikwijls wanneer mensen een ander ophemelen, de hemel in prijzen: 'wat ben jij goed zeg en wat ben jij al vooruit gegaan, of dat heb je goed gedaan.' Ze delen complimenten uit en worden daardoor zelf geëerd. De mallemolen van de ijdelheid der mensen wordt op die manier draaiende gehouden. Als je zelf eerst een beetje eer geeft, dan krijg je die eer ook weer terug.
Ze wilden Jezus tot koning uitroepen; Hem de eer geven en daarmee voor de toekomst voorzien zijn van voedsel. Zo van: 'die Jezus moeten wij hebben als koning, die geeft ons voedsel wanneer wij in nood verkeren.' Brood uit de hemel, maar niet voor de hemel. Jezus had nog wel alles gedaan om de aandacht van de mensen in dat hele gebeuren naar de Vader te leiden. "Jezus ging de berg op, Hij wilde daarmee juist de associatie oproepen aan de heilige berg, de berg van God, de berg Sinaï, en aan Hem als aan een tweede Mozes. Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden. En dan volgt het menselijk tekort, dat wordt breed uitgemeten. We hebben niet genoeg. Voor tweehonderd denariën brood zal nog niet voldoende zijn. Tweehonderd daglonen zal nog niet voldoende zijn om heel die menigte te voeden. Er is wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo'n aantal? Dan volgt opnieuw de verwijzing naar Gods herderschap. Mijn herder is de Heer, het ontbreekt mij aan niets. Hij laat mij rusten in grazige weiden (Ps 23). Want Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten.
Er was daar namelijk veel gras." God is dé Herder. En het volk gaat zitten, precies zoals eertijds in de woestijn, toen er geen farao was en geen koningen in de buurt waren, geen bondgenoten en geen vijanden, toen het volk helemaal aan zichzelf, nee, aan Gods zorg was overgeleverd. Het volk werd, toen er ook zo'n nood was, gevoed door God, met het brood uit de hemel, met het manna.
Laten we eens kijken hoe Jezus begint. Hij neemt niet zomaar het brood en vermenigvuldigt dat, Hij spreekt eerst het dankgebed en breekt daardoor het gesloten samenzijn van die mensen onder elkaar open naar de hemel, naar God, zijn Vader toe. Hij dankt God, zoals de huisvader bij het paasmaal, en eigenlijk bij iedere maaltijd in het gezin, eerst God dankt en dan het brood van God uitdeelt, het brood van Gods zorgzaamheid, van Gods barmhartige liefde. Als ze daarna nog bij Jezus blijven hangen, nog in de menselijke eer blijven steken, wil dat eigenlijk zeggen dat ze opgesloten zitten in het gesloten circuit van menselijke voorzieningen, van menselijke eer, van menselijk welbehagen; dat ze dat gesloten circuit van de menselijke eer nog niet doorbroken hebben.
Om de mensen dáártoe te brengen, heeft Jezus heel zijn leven in het teken van de menselijke smaad willen stellen. Ook wij moeten dat toelaten, er juist iets in willen zien. Bij de mensen moet je het niet zoeken, daar moet je nu net van af, want zo alleen ben je vrij voor de eer van de Vader. "Wie Mij dient, hem zal de Vader eren" (Joh 12,26).
Jezus is de eerste die heeft afgezien van alle menselijke eer tot de dood toe, een smadelijke dood, een dood van oneer. Daarmee is Hij aan alle menselijke eer afgestorven. Zo is Hij door de Vader geëerd. Er kwam geen mens meer aan te pas, alleen God, zijn Vader.
Dat is wat we met Pasen vieren: Jezus, de Verachte is de Geëerde. En wíj mogen diezelfde weg gaan.