Eerste lezing: Handelingen 4,32-37
Evangelie: Johannes 3,7-15
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot Nikodémus:
Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: gij moet opnieuw geboren worden.
De wind blaast waarheen hij wil; gij hoort wel zijn gesuis,
maar weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heengaat;
zo is het met ieder die geboren is uit de Geest.
Nikodémus gaf Hem ten antwoord: Hoe kan dat geschieden?
Daarop zei Jezus weer:
Gij zijt een leraar van Israël en weet dat niet?
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat Wij weten,
en Wij getuigen van wat Wij gezien hebben,
maar onze getuigenis aanvaardt gij niet.
Wanneer gij zelfs niet gelooft als Ik u spreek over dingen
die op aarde reeds bekend zijn, hoe zult gij dan geloven,
als Ik u spreek over dingen die nog in de hemel verborgen zijn?
Nooit is er iemand naar de hemel opgeklommen,
tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des Mensen.
En deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven,
zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn,
opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben.
Homilie
Wij zijn nog steeds bij het gesprek van Jezus met Nikodémus waarvan Johannes zegt: 'het vond plaats in de nacht.' Wanneer de evangelist zulk een aanduiding geeft als 'in de nacht', bedoelt hij daar tegelijkertijd iets anders mee dan dat het donker was. Het is ook de nacht van het ongeloof! Er zit iemand in het duister. 'Hoe kan dat geschieden?', vraagt die ongelovige. "Hoe kan een mens geboren worden als hij al oud is?" Eigenlijk is dat geen vraag waarop Nikodémus een antwoord verwacht, het is meer de uitroep van een ongelovige: Dat kan toch niet! Opnieuw beginnen? Een nieuwe wereld, een nieuwe schepping? Een nieuwe wereldgeschiedenis? Ja, dat kan wel! Alles kan, als je maar gelooft.
In de eerste lezing horen we: "De menigte die het geloof had aangenomen was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde. In tegendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk." Dat is nu echt iets waarvan mensen zeggen dat het onmogelijk is, dat het onwezenlijk is, wereldvreemd. Hoogstens zeggen ze: Misschien kan het, maar ik ben daar nog niet aan toe. Zoiets kun je van mensen niet vragen, dan overvraag je hen. En toch is het mogelijk.
Jezus verwijt Nikodémus dan ook zijn ongeloof. "Gij zijt een leraar van Israël en weet dat niet eens? Gij aanvaardt onze getuigenis niet?" Hij aanvaardt het getuigenis van het goddelijke niet, namelijk: dat God onder ons is.
Achter dat ongeloof in de Godheid van Jezus zit iets heel menselijks. Het is zo moeilijk te geloven, omdat men het eigenlijk niet wil geloven, want als je dat gelooft, moet je je afvragen: Waarom maak ik er dan niets van? Waarom is mijn leven dan zo menselijk? En van de andere kant: Waarom aanvaard je niet wat je overkomt, als jou hetzelfde overkomt als wat Jezus overkomt? Dan zou je daar toch blij om moeten zijn. Geloven in de Godheid van Jezus wil zeggen, dat je het bestaan aanneemt zoals je het krijgt én dat je je door Hem nieuw laat maken. Er doorheen! Niets ervan af, niet er iets van afknabbelen, maar er doorheen. Dan zul je zien dat kan wat in de Handelingen der Apostelen staat. Dan zul je je eerste ijver, je eerste liefde, terugvinden.
God kan wat de mens niet kan. Daar moet je het zoeken, bij Hem in de hemel, daar komt het vandaan én van het kruis. "De Mensenzoon moet omhoog geheven worden."
Dat is wat we in iedere eucharistie vieren. Er doorheen. Om nieuwe mensen te worden van een nieuwe wereld, een nieuwe schepping.