Vrijdag in de tweede week van Pasen
Eerste lezing: Handelingen 5,34-42
Evangelie: Johannes 6,1-15


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die dagen begaf Jezus zich naar de overkant
van het meer van Galilea , bij Tiberias.
Een grote menigte volgde Hem,
omdat zij de tekenen zagen die Hij aan de zieken deed.
Jezus ging de berg op
en zette Zich daar met zijn leerlingen neer.
Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden.
Toen Jezus zijn ogen opsloeg
en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam,
vroeg Hij aan Filippus:
“Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?”
- Dit zei Hij om hem op de proef te stellen,
want zelf wist Hij wel wat Hij ging doen. -
Filippus antwoordde Hem:
“Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen,
dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.”
Eén van zijn leerlingen,
Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op:
“Er is hier wel een jongen, met vijf gerstebroden en twee vissen,
maar wat is dat voor zo'n aantal?”
Jezus echter zei:
“Laat de mensen gaan zitten.”
Er was daar namelijk veel gras.
Ze gingen dan zitten;
het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend.
Toen nam Jezus de broden
en na het dankgebed gesproken te hebben,
liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten,
alsmede de vissen, zoveel men maar wilde.
Toen ze verzadigd waren zei Hij tot zijn leerlingen:
“Haalt nu de overgebleven brokken op,
om niets verloren te laten gaan.”
Ze haalden ze op
en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken,
welke door de mensen na het eten overgelaten waren.
Toen de mensen het teken zagen dat Hij had gedaan zeiden ze:
“Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen.”
Daar Jezus begreep,
dat ze zich van Hem meester wilden maken
om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen,
trok Hij Zich weer in het gebergte terug,
geheel alleen.

Homilie      

“Zij riepen de apostelen, lieten hen geselen …”,
en onmiddellijk daarna staat er dat “de apostelen het Sanhedrin verlieten, verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de naam van Jezus." Ze hadden het niet over lichamelijke pijn, maar over smaad, over een geestelijke pijn. Dat is het eigenlijke van het lijden, dat je van je voetstuk gestoten wordt, dat je geestelijk naar beneden gehaald wordt, vernederd. Het Latijnse woord is: 'humilis', 'nederig', daar zit het woord 'humus' in: 'grond', 'aarde'. En als je dat nu aan jezelf laat gebeuren, dat je het goed vindt dat je geen eer krijgt van de mensen, en dat niet alleen, maar dat ze je in plaats van eer smaad geven, dat ze je versmaden, verachten, minachten, als je dat aan je laat gebeuren, dan gebeurt er iets wonderlijks. Dan word je in het allerdiepste van je binnenste opgevangen door de Vader, dan word je door je Vader in de hemel geëerd. "Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren” (Joh 12,26). Van daaruit komt de wet van de verlossing voort, die wordt daaruit geboren: “Wie zichzelf vernedert zal verheven worden en wie zichzelf verheft zal vernederd worden" (Mt 23,12; vgl. Lc 14,11; 18,`4).

Dat gebeurde aan de apostelen. Dat is ook wat zij verkondigden, dat is de inhoud van de verkondiging, want "ze gingen door met dagelijks in de tempel en in de huizen onderricht te geven en de Blijde Boodschap te verkondigen." En wat was die Blijde Boodschap? Dat Jezus, de Geminachte, de Messias was, de Verheerlijkte, de Verhevene, de Opgehevene. Ze maakten die woorden waar door hun vreugde bij de smadelijke behandeling van het Sanhedrin. "Ze waren verheugd dat zij waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de naam van Jezus."

In het evangelie van vandaag doet Jezus een wonderteken, maar de Joden laten zich door dat wonderteken niet naar God de Vader voeren, nee, ze blijven aan Jezus hangen. Dat is het wonder ontdoen van zijn religieuze betekenis. Religieus betekent, dat het aan het wonder eigen is om de mensen van de aarde weg te voeren naar God. Maar zij bleven bij Jezus hangen. Dat wil zeggen: ze bleven bij zichzelf hangen, bij de menselijke eer, bij het samenzijn, het gezamenlijke:  ónze koning. Ze willen Hem tot koning uitroepen, zodat Hij voor hen zal zorgen.

Het gebeurt dikwijls dat mensen een ander ophemelen, complimenteren om complimentjes terug te krijgen; 'vissen naar complimenten', zeggen ze wel eens, om daardoor zelf geëerd te worden. In hun bedoeling om er zelf door gekroond te worden, roepen zij Jezus uit tot koning, terwijl Jezus er zelf alles aan gedaan had om de aandacht van Zichzelf weg te leiden naar God de Vader. Heel die entourage is een entourage van Iemand die vervuld is van God. "Jezus ging de berg op”, de heilige berg, de heilige plaats, “en zette Zich daar met zijn leerlingen neer. Het was kort voor Pasen", het feest waarin de Joden hun bevrijding door God vieren. Jezus gedraagt Zich niet als een koning, maar als een Herder, zoals we in de inleidingzang ook gezongen hebben: 'Mijn Herder is de Heer, het ontbreekt mij aan niets. Hij laat mij grazen in welige weiden.' Hij behandelt de mensen als schapen, Hij laat ze gaan zitten; "er was daar namelijk veel gras."

De nood aan voedsel konden de mensen niet voorzien, maar "Jezus wist wel wat Hij ging doen.” “Jezus nam de broden en na het dankgebed gesproken te hebben", wat de huisvader doet bij het begin van de maaltijd en wat Jezus doet bij de viering van het Paasmaal: Hij slaat zijn ogen ten hemel en dat doende breekt Hij een gat in het gesloten samenzijn van mensen met hun menselijke bedoelingen, naar God toe. Hij stelt God tegenwoordig, zijn Vader. Het is het Woord van God, het is het voedsel van God dat Hij laat uitdelen door zijn leerlingen aan de mensen. Precies wat hier nu ook gebeurt. God geeft zijn Woord, zijn eigen Zoon in zijn Woord. In het Woord geeft de Zoon van de Vader Zichzelf. Je hebt door het Woord contact met God, zoals Jezus, de Zoon van de Vader, door zijn Woord contact heeft met u. Het is inderdaad God in zijn eigen Persoon die Zich meedeelt in het Woord. Dat wordt ook gevierd  in de zelfgave: de heilige Consecratie en de heilige Communie.

Als wij in ons binnenste kijken, kunnen wij zien hoe dikwijls wij zelf doen wat de Joden hebben gedaan, of wilden doen: "Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen" en Hem meevoeren en tot koning uitroepen. Van Jezus, van de goede Gave die God geeft, iets maken voor jezelf, dat jezelf toe-eigenen. In die neiging om onszelf de goede gaven van God, het Woord van God, de zelfgave van God en al die dingen die wij krijgen, toe te eigenen, worden wij opgevangen. Bij de offerande worden wij uitgenodigd, om alles wat wij ons hebben toegeëigend aan gaven van God, aan Hem terug te geven, zodat ons hart vol kan lopen van dankbaarheid en we in staat zijn onszelf in te voegen in de zelfgave van Jezus.