Tweede zondag in de Veertigdagentijd,
                      jaar C
Eerste lezing: Genesis 15,5-12.17-18  
Tweede lezing: Filippenzen 3,17-4,1 (of 3,20-4,1)
Evangelie: Lucas 9,28b-36


Inleiding  

'Naar U gaat mijn hart uit: U wil ik zien, uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen. Verberg mij uw aanschijn niet.' Daarvoor komen wij op zondag naar de kerk, want dat is bij uitstek de dag waarop wij de verrijzenis vieren van de Heer. Hij is levend in ons midden, Hij is het stralende middelpunt van onze bijeenkomst.
Vandaag is het de tweede zondag van de Veertigdagentijd. Zoals altijd vieren we dan de gedaanteverandering van Jezus. Jezus' liefde tot God, verborgen in zijn Hart, breekt vandaag naar buiten, boven op de berg waar Hij in gebed was. Na de voorzegging van zijn lijden en dood, van zijn verwerping, beneden in de vlakte, mogen onmiddellijk daarna drie leerlingen getuige zijn van zijn heerlijkheid. Op voorhand wordt zijn heerlijkheid getoond, die heerlijkheid die Jezus in staat stelde om zijn lijden en dood helemaal aan te nemen, er helemaal ja op te zeggen. Dat was de voorwaarde om het te kunnen voorzeggen, om het in het vooruitzicht te stellen aan zijn leerlingen. Als iemand echt een offer brengt, het offer brengt van zijn leven, dan volgt daarop een verheffing, een verheerlijking door God. Precies zoals bij Jezus. Hij bidt tot zijn Vader in het verborgene en in het verborgene wordt Hij beloond met Gods heerlijkheid.
Op zondag vieren we altijd de verrijzenis van de Heer, maar op deze tweede zondag van de Veertigdagentijd mogen wij meemaken wat je zou kunnen noemen de zondag in Jezus' aardse leven. Dat kan ons een ander zicht geven op ons heilig doopsel. Ons doopsel is begraven worden in de onderdompeling in het water, in het lijden en de dood van Jezus. Als in een watergraf worden wij met Hem begraven, maar wij verrijzen ook met Hem door een nieuw leven in ons op te wekken, het leven van de Geest.
Vandaag is het meer dat nieuwe leven waarop wij onze aandacht richten, en de vreugde daarover. Die vreugde ontstaat en krijgt de ruimte in ons, als wij niets en niemand meer hebben tussen onszelf en God. Dat is het nieuwe leven, dat is het hoogste geluk.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd nam Jezus
Petrus, Johannes en Jakobus met Zich mee
en besteeg de berg Tabor om er te bidden.
Terwijl Hij in gebed was, veranderde zijn gelaat van aanblik
en werden zijn kleren verblindend wit.
En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek;
het waren Mozes en Elia
die in heerlijkheid verschenen waren
en zij spraken over zijn heengaan,
dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken.
Petrus en zijn metgezellen waren intussen door slaap overmand.
Klaar wakker geworden zagen zij zijn heerlijkheid
en de twee mannen die bij Hem stonden.
Toen dezen van Hem heen wilden gaan,
zei Petrus tot Jezus:
“Meester, het is goed dat wij hier zijn.
Laten we drie tenten bouwen,
een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.”
Maar hij wist niet wat hij zei.
Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde.
Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bevangen.
Uit de wolk klonk een stem die sprak:
“Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene,
luistert naar Hem.”
Terwijl de stem weerklonk,
bemerkten zij dat Jezus alleen was.
Ze zwegen er over
en verhaalden in die tijd aan niemand iets
van wat zij gezien hadden.

Homilie  

“Terwijl de stem weerklonk, bemerkten zij dat Jezus alleen was.
De stem had gezegd: “Luistert naar Hem", naar Hem alleen. Daar kan  niemand anders mee bedoeld zijn dan: Jezus alleen. Jezus ís ook alleen, zoals Hij de vorige week in de woestijn ook alleen was. En ook Abraham is alleen in dat vreemde land waar God hem naartoe geleid had, ver weg van zijn volk, zijn familie, zijn stam, waar hij zich thuis voelde. Trouwens, het héle volk van God is alleen, zegt Paulus ons vandaag in de tweede lezing: "Ons vaderland is in de hemel." Hier op aarde zijn wij dus niet thuis, zijn we als vreemdelingen, als vreemdelingen in een vreemd land. Misschien vraagt u zich af: maar de leerlingen waren toch bij Jezus. Hij was toch niet alleen? Ja, dat is ook zo, maar toen Jezus in gebed was, waren zij door slaap overvallen. Aan het eigenlijke gebeuren van Jezus' alleen zijn, hadden zij part noch deel. En toen ze wakker geworden waren en Petrus een rol van betekenis wilde spelen, - "laten we drie tenten bouwen," - wist hij niet wat hij zei.

Een mens kan zich eenzaam voelen temidden van zijn eigen mensen. Zoals Jezus Zich in de Hof van Olijven een ander maal eenzaam heeft gevoeld. Hij voelde Zich verlaten met de drie leerlingen vlak bij Zich, die wederom in slaap gevallen waren. Gebed maakt ook eenzaam. Bidden doe je in de eenzaamheid, in het verborgene, in je binnenkamer. Maar gebed doet je ook in de eenzaamheid groeien, geen negatieve eenzaamheid, maar een positieve eenzaamheid, de eenzaamheid van de uitverkorenen. Uitverkiezing maakt eenzaam. "Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene." Hij is uitgekozen.

Als gelovige word je uit de mensen genomen, uit de mensen die geborgenheid zoeken bij elkaar en in maatschappelijke zekerheden. Tot Abraham zei de Heer: "Ik heb u uit Ur in Galdea geleid om u dit land in bezit te geven." Trek weg uit uw land, uw volk, uw stam. Om een nieuw volk te vormen, moest Abraham zich eerst ontdoen van zijn eigen omgeving, van zijn eigen geslacht. Wellicht dat daar ook die angst en die duisternis vandaan kwam. "Hevige angst en duisternis overviel hem.”, omdat hij alleen was. Als een kind alleen op de wereld is, krijgt het angst. Zoals Jezus in de Hof van Olijven: “Hij begon bedroefd en beangst te worden" (Mt 26,37).

"Toen de zon was ondergegaan en het helemaal donker was geworden, - Abraham was in slaap gevallen - zag Abraham een rokende oven en een vurige fakkel die tussen de stukken doorging." Merkwaardig verschijnsel voor ons, merkwaardig ook voor Abraham. Hij kende de manier van verbond sluiten in zijn tijd: er werden offerdieren in tweeën gesneden en tegenover elkaar gelegd, en de twee verbondspartners namen elkaar bij de hand en schreden langzaam tussen de stukken offervlees door, ten teken dat zij aan dat verbond dat zij gingen sluiten, trouw zouden blijven tot in de dood. Als één van beiden echter er niet trouw aan zou zijn, dan zou het hem vergaan - en dat werd in dat beeld uitgedrukt - als die offerdieren: gedood, in tweeën gesneden. Hij zal het met de dood moeten bekopen. Abraham leefde in die tijd en wist daar dus van.

Op deze manier wilde God dus ook een verbond sluiten met zijn volk. Abraham had die stukken offervlees tegenover elkaar gelegd en hij wachtte af wat er ging gebeuren. Maar er gebeurde helemaal niets. Zoals boven op de berg ook niets gebeurde toen Jezus in gebed was. De leerlingen waren er zelfs bij in slaap gevallen. Ook Abraham was in een diepe slaap gevallen, maar in zijn slaap zag hij "een rokende oven en een vurige fakkel die tussen de stukken doorging." Bij zo'n rokende oven moeten we denken aan een smeltoven, zoals je dat in Zuid-Limburg ziet en in Duitsland; een smeltoven, waar een wolk van waterdamp uit omhoog stijgt en vuur. Een wolk en vuur zijn beelden van Gods aanwezigheid! God alleen is dus aanwezig en Hij alleen sluit het verbond. Maar voor een verbond heb je toch twee partners nodig? Ja, maar als Abraham en heel het volk, dat in hem was vertegenwoordigd, op gelijke voet met God verbondpartners zouden zijn, dan zou hen, maar ook ons, moeten overkomen wat de verbondspartner in geval van ontrouw zou overkomen als wij het verbond zouden schenden. God zag vooruit hoe het zou gaan: verbondschennis op verbondschennis. Dat vinden we overal terug in de Schrift. Koningen waren ontrouw aan het verbond, en dat klinkt door als een refrein; het uitverkoren volk was ontrouw, de mensen zijn ontrouw aan het verbond met God. Zij zouden dan het slachtoffer worden van de genade van het verbond. Het verbond zou hen niet tot heil maar tot onheil worden. Het zou hun noodlottig worden. Maar God heeft het verbond nu juist willen sluiten tot heil, tot verzoening, en daarom is het alleen God die tussen de stukken doorging. Hij alleen neemt de gevolgen van de verbondschennis op Zich. En dat doet Hij in Jezus.

Zo staat Jezus daar boven op de berg. Alleen! Hij is de Verbondspartner. "Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene." In Hem komt die vurige fakkel nabij, en dat nog wel op een berg, voor een kleine schare van gelovigen, van getuigen, maar wel al helemaal als wat het eerste verbond had geopenbaard: "Zijn gelaat veranderde van aanblik en zijn kleren werden verblindend wit.” Zoiets als die vurige fakkel, zoiets als die rokende smeltoven, daalt daar over hen neer. “Terwijl Petrus zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bevangen", door vrees voor God, de Aanwezige in die wolk. Wolk en stem. Wolk is verborgenheid, en een stem is iets wat je hoort, maar niet ziet.

Dat moeten wij dan ook doen: luisteren naar Hem. "Luistert naar Hem." Het moet stil worden in onszelf; alle geluiden, alle verstrooiingen, al het andere moet weg. Daarvoor is de Veertigdagentijd, zodat er inderdaad niets is tussen ons en God, tussen mij en Jezus. Ook onszelf niet. Zuiver moeten we zijn om God te kunnen aanbidden. Dat is de genade waarom wij in de Veertigdagentijd vragen en die ons dan ook zal worden geschonken. Dat brengt het geloof in God met zich mee, dat wij inderdaad voor Hem en voor Hem alleen zijn.