Tweede  zondag in de Veertigdagentijd,
                     jaar A
Eerste lezing: Genesis 12,1-4a [A 43]; antwoordpsalm: Psalm 33,4-5.18-19.20.22 [A 43];
Tweede lezing: 2 Timoteüs 1,8b-10 [A 44]; vers voor het evangelie: [A 45];
Evangelie: Matteüs 17,1-9 [A 45]


Inleiding  

'Quaesivi vultum tuum; vultum tuum, Domine, requiram.' 'U wil ik zien, uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen.'
Vandaag, op de tweede zondag van de Veertigdagentijd, kiest de Kerk het evangelie van de gedaanteverandering op de berg. Bij die gedaanteverandering mogen de apostelen een blik werpen op Gods gelaat in Jezus. De inleidingzang, die ook altijd op deze tweede zondag van de Veertigdagentijd wordt gezongen, sluit daar zorgvuldig op aan. 'U wil ik zien, uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen.' Heeft God dan een gelaat? God is toch onzichtbaar; Hij is toch een zuivere Geest. Toch heeft Hij in Jezus zijn gelaat getoond. "Wie Mij ziet, ziet de Vader", zegt Jezus (Joh 14,9). We zien vandaag hoe het gelaat van God zich weerspiegelt op het gelaat van Jezus. "Zijn gelaat begon te stralen als de zon." De zon van Gods liefde bescheen zijn gelaat en beschijnt ook ons gelaat. Zoals mensen die lange tijd in gebed geweest zijn de glans van Gods aanschijn op hun gelaat krijgen. Of zoals kinderen die nog iets stralends hebben, of zoals verliefden: hun innerlijk geluk straalt naar buiten. Misschien kunnen wij daarmee wel het beste het geheim van de gedaanteverandering op de berg vergelijken. Jezus zag met een verliefde blikt op naar het gelaat van zijn hemelse Vader en op zíjn gelaat weerspiegelt zich de stralende liefde van zijn Vader.
De Vader ziet neer op zijn geliefd Kind, de glans van zijn gelaat weerspiegelt zich op Jezus' gelaat, dat begon te stralen als de zon, en Hij spreekt daar de woorden bij: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld."
Dat is ook ons geheim, het geheim van ons leven. Bij ons doopsel sprak onze hemelse Vader tot ieder van ons dit woord: 'Jij bent mijn kind, mijn welbemind kind, in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld.' Laten wij dan nu, - bij de herinnering aan ons doopsel - met het water waarmee wij besprenkeld worden, ook die liefde van God over ons komen en neer laten dalen in ons hart.
                           
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd nam Jezus
Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met Zich mee
en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij alleen waren.
Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd.
Zijn gelaat begon te stralen als de zon
en zijn kleed werd glanzend als het licht.
Opeens verschenen hun Mozes en Elia,
die zich met Hem onderhielden.
Petrus nam het woord en zei tot Jezus:
“Heer, het is goed dat wij hier zijn.
Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan,
een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.”
Nog had hij niet uitgesproken
of een lichtende wolk overschaduwde hen
en uit die wolk klonk een stem:
“Dit is mijn Zoon, de Welbeminde,
in Wie Ik mijn welbehagen heb gesteld;
luistert naar Hem.”
Op het horen daarvan wierpen de leerlingen zich ter aarde neer,
aangegrepen door een hevige vrees.
Maar Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei:
“Staat op en weest niet bang.”
Toen zij hun ogen opsloegen zagen zij niemand dan alleen Jezus.
Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun:
“Spreekt met niemand over wat gij hebt aanschouwd
voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan.”
                 
Homilie  

“In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met Zich mee en bracht hen boven op een hoge berg."
Dat is ons leven, in één zin samengevat door Jezus. Hij komt uit de hemel naar de aarde, en neemt ons in de navolging met Zich mee terug naar de hemel, naar de allerhoogste God. Is ons bijeenkomen hier daar ook niet een voorproef van, een vooruitgrijpen, doordat Hij ons, door te luisteren naar zijn woord, met Zich meeneemt naar de Vader? Hij neemt ons mee naar de Vader door zijn woord en doordat Hij Zich verenigt met ons in de communie, hét moment waarop heel deze viering uitloopt. Dat moment wordt door de evangelist vandaag  uitgedrukt met: "Boven op een hoge berg, waar zij alleen waren", met God. Een hemel op aarde! Een moment van apart genomen worden door onze Hemelmens op onze aardse pelgrimstocht.
Met wie gaan wij dan mee? Met wie vereenzelvigen wij ons? Wie is het met wie wij ons  identificeren? Wie is ons model, ons levensmodel? Is dat iemand die niet van deze wereld is, een droomfiguur uit een andere wereld, een persoon uit de hemel, ver weg, iemand bij wie wij even kunnen uitrusten om onze geplaagde zenuwen tot rust te laten komen? Nee, Hij is en blijft een van ons, een aardemens, helemaal van onze aarde. Zo eindigt dit evangelie ook: "Toen zij hun ogen opsloegen zagen zij niemand dan alleen Jezus." Zoals het begonnen is, zo eindigt het ook: met Jezus alleen, met Jezus die hen meegenomen heeft vanaf beneden in de vlakte de hoge berg op.

Toch is Jezus niet alleen maar een van ons. Want vlak voor de bestijging van de hoge berg, nog beneden in de vlakte, had Petrus Jezus beleden als "de Christus, de Zoon van de levende God”, nadat Hij de leerlingen gevraagd had: “Wie zegt gij dat Ik ben? (Mt 16,15.16). Jezus is Degene in wie God levend voor ons staat, in wie wij het leven van de levende God voelen. En Petrus, die Hem zo in de hoogte gestoken had, zelfs hoger gesteld had dan “Johannes de Doper, Elia, Jeremia of een van de profeten (Mt 16,14), werd hierna door Jezus ook een beetje in de hoogte gestoken: “Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is" (Mt 16,17). Petrus werd door de Geest van God bezield, verzaligd, toen hij deze belijdenis uitsprak; daardoor voelde hij zich ook een beetje zalig. En zonder dat hij zich dat zo bewust was, heeft hij zich die genade ook toegeëigend en daarmee zijn hoofd in de hemel gestoken. Hij werd er een beetje high van, een beetje boven zichzelf uitgeheven. Datzelfde effect voelde Jezus ook bij zijn leerlingen hier boven op de berg en Hij voorzag datzelfde effect, dat high worden van enthousiasme over dat Hij de Messias was, ook bij de mensen aan wie de leerlingen die 'Messias-titel' bekend zouden gaan maken en daarom "verbood Hij hun nadrukkelijk iemand te zeggen, dat Hij de Christus was" (Mt 16,20).

Dat verbieden is nog tamelijk zacht uitgedrukt. Hij gebruikte daar een ander woord voor, namelijk: 'bezweren'. Hij voer tegen hen uit. Hij legde met geweld op aan zijn leerlingen, dat zij die titel niet zouden gebruiken en zich moesten ontdoen van al die verwachtingen, die menselijke overwegingen, die zij bij die titel hadden: een politieke krachtsfiguur, iemand die met kop en staart boven de anderen uit stak. Nee, Jezus was niet zo maar een mens; Hij was de grootste, maar Hij was ook de kleinste, de zwakste. Wat wij hier in deze lessen geleerd krijgen, is dat wij in Jezus Iemand moeten zien, die wij niet moeten vereenzelvigen met dé mens met zijn  gewone ideaalbeelden, met zijn gewone menselijke overwegingen, met zijn gewoon verzet tegen menselijke zwakheid, met zijn neiging om het kleine in zichzelf te verdringen en met zijn neiging om dus ook de kleinen te verdringen. Om het zieleven te maken tot een strijd, tot een 'struggle for life', zoals het Darwinisme het uitdrukt bij de overleving van de soorten, waarbij alleen de sterksten overwinnen, waarbij de harde krachten de boventoon voeren.

Dat mensbeeld heeft Jezus met even zoveel woorden afgewezen, nadat Hij eerst had gezegd dat zijn leerlingen die hoogheidstitel, niet in de mond zouden nemen. "Van dat ogenblik af begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn op de derde dag zou verrijzen" (Mt 16,21). Deze woorden kwamen over Petrus als een ijskoude douche, en het was ook de bedoeling van Jezus om hem te ontnuchteren, om hem weer bij de les te krijgen. Maar dat begreep Petrus nog niet  en daarom zei hij: "Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!" (Mt 16,22). Jezus echter gaat hier frontaal tegen Petrus in, als was deze opnieuw bezield, maar nu door een verkeerde geest, door een onreine geest. "Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil” (Mt 16,23). En daarna zegt Hij ook nog eens tot zijn leerlingen, die uit hetzelfde hout gesneden zijn als Petrus, en zoals wij: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, in vereniging met Mij, zal het vinden" (Mt 16, 24.25).

Jezus is in al zijn grootheid een door en door zwakke mens, die er een heilige zaak van maakt die zwakheid niet alleen te dulden, zoals mensen tenslotte dan wel bereid zijn te doen, maar er Zich van harte aan overgeeft, overlevert, en wel op een actieve manier. Pas dan, nadat Jezus eerst zijn geloofsbrieven heeft overhandigd over wie Hij is, na de woorden beneden in de vlakte uitgesproken te hebben over zijn grootheid én over zijn kleinheid, neemt Hij zes dagen later drie van zijn leerlingen mee, dezelfde drie die ooit eens getuige zouden zijn van zijn zwakheid tot het uiterste, in de Hof van Olijven. Hij nam ze mee naar een hoge berg om alleen te zijn. En daar "werd Jezus voor hun ogen van gedaante veranderd.” Hij werd doorschijnend; hemels licht doorscheen zijn gestalte, vooral zijn gelaat. “Zijn gelaat begon te stralen als de zon, en zijn kleed werd glanzend als licht." Zelfs zijn kleed nam deel aan dat licht.

Verworpen door de overheden, door de leiders van zijn volk, werd Jezus verheerlijkt door de Allerhoogste, tot Wie Hij in gebed was. Verworpen door de gewone leiders van het volk, werd Hij aangenomen door Mozes en Elia. Hij werd als gelijke in hun gezelschap opgenomen, dat wil zeggen: door Wet en profeten, de hoogste geestelijke autoriteiten aan wie alle menselijke autoriteiten hun gezag ontleenden, op wie zij zich altijd beriepen. Zíj staan achter Jezus! Maar waarover onderhielden Mozes, Elia en Jezus zich? Waar ze het over hadden, wordt niet gezegd. Er viel dus niets te beluisteren. Maar aan iets wat alleen maar te zien is, daaraan ben je niets verplicht, daar hoef je je niet aan te houden. Daarom volgde op wat er te zien was iets wat er te horen was. De autoriteiten, de geestelijke autoriteiten, Mozes en Elia, verdwenen uit het zicht, en nu wordt de aandacht gericht op Iemand die je niet kunt zien: de Allerhoogste, de Onzichtbare, de Verborgene. "Uw Vader die in het verborgene is en in het verborgene ziet" (Mt 6,18), die niemand kan zien, die niemand ooit heeft gezien, Hij openbaart Zich. Een wolk geladen met zijn goddelijke tegenwoordigheid nadert de aarde, nadert tot de leerlingen. Zij voelen zich in de ban van die hemelse tegenwoordigheid geslagen en ze werpen zich ter aarde neer. Ze zijn volkomen gespannen op die tegenwoordigheid van de Allerhoogste. Hij begint te spreken en Hij geeft Zich te kennen als de Vader van Jezus: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde." Precies datzelfde woord heeft Hij ook gesproken bij het doopsel van Jezus in de Jordaan, dus tot de lijdende Dienaar van de Heer: 'de Welbeminde'. Maar Hij voegt er nog één ding aan toe: "Luistert naar Hem."

Dat is gezegd tot Petrus en het wordt ook gezegd tot ons allemaal, omdat wij diezelfde menselijke overwegingen hebben, dat verzet tegen lijden, tegen menselijke zwakheid, tegen kleine mensen die behept zijn met hun zwakheden en met hun zonden. "Luistert naar Hem." We moeten luisteren naar ons geweten, dáárin spreekt God. Wat wij in ons geweten horen, krijgt pas betrouwbaarheid binnen het Woord van God: Jezus; als ons geweten dus verbonden is met de Zoon van de levende God, met Jezus zelf, dé Christus.

De bedoeling van de kerkelijke vieringen is dan ook om ons gewone menselijke aanvoelen te verrijken met het Woord van God en met zijn liefdevolle gestalte in Jezus. We worden met Hem verenigd door het Woord. Want het Woord is meer dan een woord, het Woord is een daad, het is de krachtdaad van God zelf, het is een sacrament dat geeft wat het zegt. Dat wordt in het tweede gedeelte van de eucharistie opnieuw waar gemaakt, waarin dat Woord vlees wordt, zwakheid wordt, en daarin het liefdesvermogen van de mens tot het uiterste toe mobiliseert.
Dat is ons heilig geloof en dat mogen nu gaan belijden in het Credo, in het 'ik' geloof.