Heilige Nicolaas, bisschop
Eerste lezing: Baruch 5,1-9
Tweede lezing: Filippenzen 1,3-6.8-11
Evangelie: Lucas 3,1-6
Inleiding
'Populus Sion, ecce Dominus veniet.' 'Volk van Sion, de Heer komt nabij.' Hoort u het? God komt! Ja, zult u misschien denken: dat weet ik, Hij komt met Kerstmis. Ja, inderdaad, dan komt God. Maar straks, in de heilige eucharistie, komt Hij ook. 'Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer' zingen we bij het Sanctus. Trouwens, Hij is er nu al, want u bent nog maar nauwelijks in de kerk, of u hoort al de woorden van God. U weet dus dat Hij komt. Maar weten en weten is twee. Weet u het ook met uw hart? Verheugt u zich op de komst van de Heer als op de komst van een dierbare, naar wie u lange tijd hebt uitgezien? Zó'n soort weten, het weten van het hart, dat veronderstelt de Kerk in haar oproep in het intredelied van vandaag: 'Volk van God, het nieuwe volk van God, de Heer komt nabij: Hij zal de volkeren redden. Met de macht van zijn stem zal Hij blijdschap verwekken in uw hart.'
Advent is een tijd van verwachting, van blijde verwachting, máár met een geest van boete. Dat betekent dat we moeten afzien van al die andere verwachtingen waar ons hart vol van is, zodat ons hart zuiver wordt, de kronkelpaden recht en de dalen gevuld worden. Dat er geen andere lijnen zijn in onze verlangens, geen afwijkingen naar links of naar rechts, maar dat onze verlangens recht op Hem zijn afgestemd. Daarom heeft de Kerk een tijd van boete ingesteld, om ons voor te bereiden op de komst van de Heer, om ons af te keren van onze verkeerde verlangens, zodat Hij ook werkelijk in ons hart kan komen. Dat is ook de reden dat we een boete-act doen aan het begin van de eucharistieviering. En zoals we dat gewoon zijn te doen in de zondagse eucharistieviering, beginnen we ook deze tweede zondag van de Advent met een boete-act die geïnspireerd is op het doopsel. Dat is de meest fundamentele boete-act: begraven worden in het waterbad van alle menselijke verwachtingen om er dan uit op te staan in het leven van en voor Jezus. We mogen dat dan nog eens met een vernieuwd bewustzijn aan ons laten gebeuren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Het gebeurde in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius:
Pontius Pilatus was landvoogd van Juda,
Herodes viervorst van Galilea,
zijn broer Filippus viervorst van het gewest Iturea en Trachonitus,
en Lysánias viervorst van Abilene.
Annas en Kajafas bekleedden het hogepriesterschap.
Toen kwam het woord van God over Johannes,
de zoon van Zacharias, die in de woestijn verbleef.
Hij begon op te treden in heel de Jordaanstreek
en een doopsel van bekering te preken
tot vergeving van zonden,
volgens de profetie
die geschreven staat in het boek van de profeet Jesaja:
Een stem die roept in de woestijn:
bereidt de weg van de Heer,
maakt zijn paden recht.
Elk dal moet gevuld, elke berg of heuvel geslecht worden;
de kronkelpaden moeten recht, de ruwe wegen effen worden.
En heel de mensheid zal Gods redding zien.
Homilie
Kent u vanuit uw eigen levenservaring het gevoel dat er in je is, als je uitkijkt naar de komst van een vriend, naar de terugkomst van een kind dat lange tijd weg is geweest? Als je een vriend verwacht, dan weet je dat hij dan en dan zal komen. Als de tijd van zijn komst is aangebroken, ben je er, maar hij komt niet, tenminste, niet op tijd. Even later denk je: hij is er nog niet. Na een tijdje: hij had er toch al lang moeten zijn. Zou er iets gebeurd zijn? Die blijde verwachting, die je hart sneller deed kloppen, dat moment van uitzien naar de ontmoeting, gaat gepaard met een gevoel van angst, van smart. Of je hebt het verlangen naar het bericht van een dierbaar iemand, die vertrokken is naar een ver land. Hoe dikwijls ben je al niet naar de brievenbus gegaan om te kijken of er al bericht van hem of haar was? Is hij of zij goed aangekomen? Waar blijft het teken van leven? En als de telefoon ging, met wat voor verwachtingen rende je er niet heen, in de hoop dat hij of zij het misschien zou zijn?
Soortgelijke gevoelens, en dan nog veel intenser, gaan gepaard met het wachten op Christus' komst. Het waren natuurlijk wel allemaal gevoelens van menselijke verwachtingen, en wij zien uit naar Iemand die alle menselijke verwachtingen te boven gaat. Maar toch, wie naar Christus uitziet, wie naar Hem toeleeft, die moet een gevoelig, warm, waakzaam, hart hebben, een warm hart voor Christus, zoals Paulus, van wie u in de tweede lezing uit de brief aan de Filippenzen hoorde voorlezen: "God weet hoe vurig ik naar u allen verlang, met de innigheid van Christus Jezus zelf." Christus zelf is in het hart van de Kerk met zijn innige liefde voor ons. De innige liefde waarmee Hij naar óns uitziet, doet ons uitzien naar Hem.
Nu is het de tijd van de Advent, de tijd dat het inderdaad om Hem alleen gaat; dat onze liefde zuiver is, niet vermengd met bijmotieven, met vooroordelen, met nog iets er naast, zoals nogal eens in het huwelijk gebeurt: een derde persoon, of in het kloosterleven: een hobby, een positie, een officie, een bepaalde verwachting, en in het gewone leven: een vasthouden aan liefhebberijen, waardoor je hart niet vrij is voor de ander, vriendschappen die niet helemaal echt zuiver zijn. Daarom hebben wij, om toe te leven naar Jezus' komst met Kerstmis in ons hart, een voorbeeldfiguur: Johannes de Doper. Hij had niets anders dan Jezus alleen; Hij leefde helemaal van 'de Komende'. Daarom kwam het Woord van God tot hem. Want vóórdat het Woord van God in eigen Persoon kwam, kwam het Woord van God eerst tot Johannes de Doper in de woestijn. "Toen kwam het Woord van God over Johannes, zoon van Zacharias, die in de woestijn verbleef. In zijn prediking verwijst hij zelf ook naar een profetie van Jesaja: Een stem die roept in de woestijn." De woestijn, waar niemand is, waar volstrekte eenzaamheid heerst, waar je niemand tegenkomt en ook niemand verwacht. Na een dag in de woestijn, nee, zelfs na een paar uur in de woestijn, verga je al van de hitte, van de dorst, je versmacht gewoon. Je daar alleen al in ophouden is een bekering. Dat is een zich afwenden van alles waar mensen hun verwachtingen op stellen. En wat de uiterlijke omgeving van de woestijn je doet, dat moet er ook in je innerlijk zijn, in je hart. Dat is wat Johannes preekt: "Bereid de weg van de Heer, maakt zijn paden recht", zodat het weten van de komst van het kerstfeest in de geschiedenis van het kerkelijk jaar een weet hebben gaat worden van de komst van de Heer in je hart.
Daarvoor heeft de Kerk een boetetijd ingesteld, een woestijntijd, zou je kunnen zeggen, om nog eens duidelijk te beseffen waar je menselijk hart nog meer naar uitziet. Zoals naar het moment dat de dagen weer gaan lengen na de donkere tijd van de winter, of uitzien naar warmte en geborgenheid die mensen kunnen geven, of uitzien naar een ontmoeting met een bekende, familie, vrienden, of naar vakantie. We hebben die woestijn van ons leven juist met Kerstmis aardig behangen en bekleed met allerlei menselijke dierbaarheden en kostbaarheden, die ons hartje enigszins kunnen vullen. Nee, zegt de Kerk, doe die dingen nu eens weg. Kom nu eens mee de woestijn in, zodat je hart vrij wordt door alleen naar Jezus uit te zien. Hij komt toch naar ons! Waarom komen wij niet naar Hem? Dat zou toch veel spannender zijn. Als Hij Degene is die de wereld kan redden, dan is het toch zaak dat wij naar Hem toe gaan. Je gaat toch naar je Redder toe. Zo zou het wel moeten zijn, maar onze hulpbehoevendheid bestaat nu juist daarin dat wij onszelf willen redden, onszelf willen rechtvaardigen, aan onszelf willen vasthouden, aan onszelf zijn uitgeleverd. Daarom komt Hij, om ons daarvan te redden. Dat betekent dat wij zo de moeite waard zijn voor Hem, dat Hij uit de hoge hemel naar ons toe komt. Laat eens tot je doordringen, hoe waardevol Hij het menselijk hart vindt, dat Hij dit voor ons over heeft. Besef je eigen waardigheid eens, hoe waard je het bent dat God de hemel verlaat om bij jou te komen.
Dat is eigenlijk ons geloof, dat Iemand van ons houdt, en zoveel van ons houdt, dat Hij alles opgeeft om ons te komen redden. Laten we dan dát geloof nu eens met een nieuwe intensiteit, met een nieuwe vurigheid en een nieuwe eenvoud, belijden in het Credo van de Kerk.