Tweede zondag door het jaar,
              jaar C
Eerste lezing: Jesaja 62,1-5
Tweede lezing: 1 Korintiërs 12,4-11
Evangelie: Johannes 2,1-12


Inleiding  
 

'Omnis terra adoret te.' 'Heel de aarde moet U aanbidden.' Wij vieren vandaag de derde openbaring van de Heer. Dat zou inderdaad voor heel de aarde een goede reden zijn om vandaag in aanbidding voor God neer te knielen. De eerste openbaring van God was het Feest van de Openbaring, 'Epifanie', het bezoek van de Wijzen aan onze Heer in het kleine Kind. De tweede openbaring was Jezus doopsel in de Jordaan. Toen werd Hij geopenbaard als de Zoon van God, overhuifd door de heilige Geest. En vandaag is de derde openbaring van de Heer de bruiloft van Kana. Daar wordt Jezus geopenbaard als onze Bruidegom.
"Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook” (1 Joh 1,3). Vandaag zouden we moeten zeggen: we worden bruiden van God genoemd, maar we zijn het ook. Ongelooflijk dat dit niet als een beeld wordt bedoeld, maar als een werkelijkheid. “Zoals een jongen zijn meisje trouwt”, zegt de profeet Jesaja, “zal Hij die u opbouwt, u trouwen; en zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid, zal uw God zich verheugen in u." Het is allemaal even ongelooflijk, zo ongelooflijk als de eucharistie, waarin Hij inderdaad als de Bloed-Bruigeom zijn liefde, zijn Bloed geeft. Van dat soort geheimvolle werkelijkheden is ons leven vol, vanaf het begin toen wij werden gedoopt, ondergedompeld in het lijden en de dood van onze Heer Jezus, ondergedompeld in zijn liefde.
Dat mogen wij aan het begin van deze eucharistie op zondag nog eens vieren. Toen wij klein waren ontvingen wij het onbewust en nu bewust.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea,
waarbij de moeder van Jezus aanwezig was.
Jezus en zijn leerlingen
waren eveneens op die bruiloft uitgenodigd.
Toen de wijn opraakte,
zei de moeder van Jezus tot Hem:
“Ze hebben geen wijn meer.”
Jezus zei tot haar:
“Vrouw, is dat soms uw zaak?
Nog is mijn uur niet gekomen.”
Zijn moeder sprak tot de bedienden: “Doet maar wat Hij u zeggen zal.”
Nu stonden daar volgens het reinigingsgebruik der Joden zes stenen kruiken,
elk met een inhoud van ongeveer honderd liter.
Jezus zei hun: “Doet die kruiken vol water.”
Zij vulden ze tot bovenaan toe.
Daarop zei Hij hun:
“Schept er nu wat uit en brengt dat aan de tafelmeester.”
Dat deden ze,
en zodra de tafelmeester het water proefde
dat in wijn veranderd was
- hij wist niet waar die wijn vandaan kwam,
maar de bedienden die het water geschept hadden,
wisten het wel,-
riep hij de bruidegom en zei hem:
“Iedereen zet eerst de goede wijn voor
en wanneer men eenmaal goed gedronken heeft de mindere.
U hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.”
Zo maakte Jezus te Kana in Galilea een begin met de tekenen
en openbaarde zijn heerlijkheid.
En zijn leerlingen geloofden in Hem.
Daarna daalde Hij af naar Kafarnaüm,
Hijzelf en zijn moeder, de broeders en zijn leerlingen;
maar zij bleven daar slechts enkele dagen.

Homilie      

“Ze hebben geen wijn meer"
en zonder wijn geen bruiloft. Want wijn is het teken van de liefde en zonder liefde geen bruiloft. Wat wijn is tegenover water, dat is een leven in dienst van anderen tegenover een leven voor jezelf. Wat wijn is tegenover water, dat is liefde tegenover zelfzucht. Laf, smakeloos. Wie zijn mond zet aan een beker om wijn te drinken en hij proeft in werkelijkheid alleen maar water, krijgt een klap in zijn gezicht. Dat is nu precies wat iemand ervaart, als de ander, met wie hij dacht in liefde verbonden te zijn, de dingen alleen maar uit zelfzucht doet.

"Ze hebben geen wijn meer." Dat zegt Maria tegen Jezus. Maar Maria heeft dat haar leven lang tot God gezegd. De liefde bij de mensen is verschraald. De wijn, de liefde die God in het mensenhart had ingestort bij de schepping, is water geworden, eigenliefde. Bij de schepping "boetseerde de Heer God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen" (Gn 2,7). De eerste adem van Adam was Gods adem, Gods heilige Geest, de adem van Gods liefde. Daardoor is er in het hart van de mens, van iedere mens, van dé Adam, een trekken en een smachten naar God, een vermogen om God te schouwen, zijn liefde te schouwen in elkaar, in de schepping. De mens was vanaf het begin helemaal gericht op een middelpunt buiten zichzelf, zelfs buiten de schepping. Zoals u, die nu hier aanwezig bent, gericht bent op een middelpunt buiten uzelf, op het woord van God, op het Lichaam van Christus.

Dat gericht zijn op dat middelpunt buiten jezelf maakt de mens mateloos gelukkig. Dat maakt het geluk uit van het paradijs! Niet de bomen, de heerlijke vruchten, de vertrouwelijke omgang met de dieren, de harmonie met de natuur, maar dit alles als teken van Gods goedheid en liefde voor de mens. Zoals de eerste mens zich koesterde in de zon, zo koesterde zijn hart zich in de zon van Gods liefde. De eerste mensen hadden geen gebedenboeken nodig, en ook geen kapel of kerk zoals wij, nee, heel de schepping was tempel, was Kerk, alles was vervuld van Gods aanwezigheid. Zoals ook de kapel hier vervuld is van Gods aanwezigheid, in het Allerheiligste dat is uitgesteld. God is het stralende middelpunt van héél de schepping en van elke mens persoonlijk.

Als Maria zegt dat ze geen wijn meer hebben, kunnen we ons afvragen, hoe dikwijls zij dat ook al bij zichzelf gedacht moet hebben. Want met 'geen wijn meer', bedoelt ze te zeggen: de mensen hebben geen liefde meer. De goddelijke liefde, waarvan het menselijk hart vervuld was en die hem mateloos gelukkig maakte, was veranderd in zelfzucht, ikzucht, narcisme, om zichzelf heen draaiend. In dat ene zinnetje "ze hebben geen wijn meer" verwoordt Maria heel het ongeluk van de mensheid in zonde. Ze sprak haar eigen pijn uit, te moeten leven in een wereld met ik-mensen, met mensen zonder liefde; een wereld waar geen echte liefde is, maar surrogaat liefde. Lief doen, mooie woordjes spreken, mooie vieringen houden, het is allemaal buitenkant, geen binnenkant, het heeft geen hart, het is niet echt. Maria constateert dat, ze spreekt het uit, ze legt de nood van de mensheid voor Jezus neer. Meer kan zij niet doen. Geef ons alstublieft de liefde terug, de echte, de bloedwarme liefde. We hebben zo'n hekel aan dat slappe aftrekseltje dat de mensen van de echte liefde hebben gemaakt. Dat lief doen, dat aardig zijn, die 'voor wat hoort wat liefde', die ruilliefde, die liefde 'als ik er maar beter van word', de liefde van geven en nemen. Maria kan er alleen aan lijden dat de echte liefde verdwenen is uit het mensenhart. Dat is ook een bijdrage. Het is de bijdrage die Jezus levert. De echte liefde kan zelfs Jezus niet geven, dat kan alleen de Vader geven, de heilige Geest. Van de Vader gaat immers de liefde uit. En dat geeft Jezus dan ook te kennen met die vreemde woorden: "Vrouw, is dat soms uw zaak?” (wat is er tussen Mij en u?) “Nog is mijn uur niet gekomen.” Het uur van de Vader. De Vader, onder wiens gezag heel Jezus' leven staat. Het gaat allemaal uit van de Vader. De Vader zelf wil aan de mensen de echte liefde terugschenken. “Ge zult niet meer heten: 'de Verlatene', uw land niet meer: 'Woestenij', maar ge zult heten: 'Mijn welbehagen', uw land: 'Gehuwde', want in u heeft de Heer zijn behagen gesteld. Zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid, zal uw God zich verheugen in u."

Daarom zegt Maria dan ook tot de dienaren: "Doet alles maar wat Hij u zeggen zal." Maria doet het wonder niet, ook de Kerk doet het wonder niet, de dienaren doen het wonder niet, maar Jezus in gehoorzaamheid aan de Vader. Het wonder van Kana is het wonder van Jezus. Jezus is het wonder. Hij is zelf de wijn, de wijn van het nieuwe verbond. Hij is zelf de volmaakte zelfloze liefde: 'Dit is mijn Lichaam' … 'dit is mijn Bloed tot vergeving van de zonde'. De bruiloft geschiedde immers "op de derde dag." Op de derde dag, de dag waarop God zal afmaken wat Hij in Kana begonnen is: de dag waarop God Jezus, door lijden en dood heen, zal doen verrijzen als het stralende middelpunt van Gods liefde in de schepping.

Wij van onze kant ondervinden ook dat Hij onze zelfzucht wil omzetten in echte liefde. Het water van ons egoïsme wil Hij van zelfstandigheid veranderen tot echte liefde. Hij verandert niet de omstandigheden van ons leven, Hij neemt de lasten niet van ons af, maar Hij geeft ons een ander hart, een nieuwe liefde. Hij vraagt van ons dat wij de gewone dingen van het leven, het gewone verloop van elke dag, de kleine plichten van onze levensstaat volbrengen. Dat wij alles aannemen zonder te vragen waarom, zoals die dienaren, die eenvoudig alles volbrengen alleen maar omdat Híj het vraagt. Het gewone menselijke leven, de gewone gebedsuren, smakeloos veelal, dor, levenloos, worden kostbaar, belangrijk, van groot gewicht, door de liefde waarmee je het volbrengt. Niet de kwantiteit maar de kwaliteit telt, niet de buitenkant maar de binnenkant, de liefde, het hart.
Van die liefde is bij Hem genoeg te krijgen: zeshonderd liter water moeten ze putten. Dat is genoeg voor een heel leven, dat is genoeg voor heel de mensengeschiedenis: vanuit goddelijke liefde water gemaakt tot wijn. Dat is het wonder dat Hij steeds weer opnieuw doet. Daarom die grote overvloed. Hij doet het steeds weer opnieuw in elke eucharistie. En zoals u weet, worden in de eucharistie met brood en wijn ook de harten van de mensen getranssubstantieerd, van kwaliteit veranderd. In plaats van op jezelf gericht te zijn, word je op God en op de medemensen gericht.
Dat is ons heilig geloof, een geloof in de werkelijkheidswaarde van het eucharistische gebeuren.