Tweede zondag na Kerstmis
       3 januari 2010


Eerste lezing: Sirach 24,1-2.8-12
Tweede lezing: Efeziërs 1,3-6.15-18
Evangelie: Johannes 1,1-18 of 1-5.9-14  

De lezingen zijn gemeenschappelijk in de cycli van de jaren A, B en C


Inleiding                                    

Op deze zondag gaan we nog eenmaal terug naar het begin. Het begin: 'Terwijl een diepe stilte de wereld omsloot en de nacht reeds half verstreken was.' Het licht is niet het begin, we worden ook niet geboren in het licht, maar wédergeboren. Het is begonnen met de duisternis, en niet de duisternis van de nacht, maar de duisternis van de zonde, de duisternis waaruit de mens zich niet kan bevrijden. Er moet licht komen om ons te bevrijden, en wel van buitenaf.
Die werkelijkheid, dat de zonde er was en wij in de nacht van de zonde gedompeld waren en dat daarvoor het licht moest komen, die werkelijkheid brengen wij ons te binnen aan het begin van het jaar en aan het begin van iedere eucharistie. Dan maken wij, met name op zondag, ons onze wedergeboorte in het heilig doopsel bewust. Wij werden geboren in de nacht, maar toen kwam God ons met het geloof tegemoet, met zijn licht. Dáárin werden wij wedergeboren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In het begin was het Woord
en het Woord was bij God
en het Woord was God.
Dit was in het begin bij God.
Alles is door Hem geworden
en zonder Hem is niets geworden
van wat geworden is.
In Hem was leven
en dat leven was het licht der mensen.
En het licht schijnt in de duisternis,
maar de duisternis nam het niet aan.
Er trad een mens op, een gezondene van God;
zijn naam was Johannes.
Deze kwam tot getuigenis,
om te getuigen van het Licht,
opdat allen door hem tot geloof zouden komen.
Niet hij was het Licht;
maar hij moest getuigen van het Licht.
Het ware Licht
dat iedere mens verlicht
kwam in de wereld,
Hij was in de wereld,
de wereld was door Hem geworden
en toch erkende de wereld Hem niet.
Hij kwam in het zijne,
maar de zijnen aanvaardden Hem niet.
Aan allen echter die Hem wel aanvaardden,
aan hen die in zijn Naam geloven,
gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden.
Ze zijn niet uit bloed
noch uit begeerte van het vlees
of de wil van een man,
maar uit God geboren.
Het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond.
Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd,
zulk een heerlijkheid
als de Eniggeborene van de Vader ontvangt,
vol genade en waarheid.
Wij hebben Johannes' getuigenis over Hem
toen hij uitriep:
“Deze was het van wie ik zei:
Hij die achter mij komt, is vóór mij,
want Hij was eerder dan ik.”
Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen,
genade op genade.
Werd de Wet door Mozes gegeven,
de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus.
Niemand heeft ooit God gezien;
de Eniggeboren God,
die in de schoot des Vaders is,
Hij heeft Hem doen kennen.

Homilie      

Een nieuw jaar, een nieuw begin. Het wordt weer de eerste keer van dit en de eerste keer van dat. Maar de Kerk zou de Kerk niet zijn als zij de aandacht niet zou richten op God. "In het begin was het Woord en het Woord was bij God." Daar wordt niet mee bedoeld dat het er in het begin was en dat het er sindsdien niet meer is. Zo van: dat hebben we gehad. Nee, het Woord dat er in het begin was, is altijd bij ons gebleven. Het is als het ware met ons meegereisd. Het is nooit meer van ons weggegaan. Zoiets als we al eens eerder gezegd hebben van de apostolische Kerk. Zoals het was in het begin, in de tijd, van de apostelen, zo is het nu nog steeds. Dat is met heel de kerkgeschiedenis meegereisd. Heel de volheid van de verkondiging van het Woord van God is in de Kerk gebleven. Dat heeft de Kerk niet achter zich, maar het gaat met de Kerk mee in de geschiedenis.

Hoe was God er dan in het begin? Hij was er met zijn Woord. Er wordt ons niet verkondigd dat God er vanaf het begin af aan is, maar dat Hij er vanaf het begin tot nu toe is met zijn Woord. Hij is er niet zomaar, maar op een persoonlijke, sprekende, aansprekende manier. Aanspreekbaar. Zo is Hij er vanaf het begin.
We kunnen ons geen begin van iets of van iemand indenken of God was er al met zijn Woord, met zijn spreken, liefdevol bij. God was er nog eerder dan de mensen om ze te verwelkomen, ze toe te spreken en tot leven te brengen.

Voordat iemand mij bij mijn naam noemde, was God er al. Dat wordt ons verkondigd in alle drie de lezingen. "Ik ben uitgegaan uit de mond van de Allerhoogste,” zegt het Boek Ecclesiasticus. “Voor alle tijden van het begin af, heeft Hij mij geschapen.” En in de tweede lezing aan de Efesiërs: “In Christus heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld.” … “In liefde heeft Hij ons voorbestemd om zijn kinderen te worden door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof en heerlijkheid van zijn genade."
We worden dus helemaal omvat door het warme, liefdevolle Woord. Het Woord waarin wij worden toegesproken, waarin ons bestaan is gevat, komt van God. "Het Woord was bij God en het Woord was God."

Waar komt dit nieuwe jaar vandaan? Van God! Het wordt dan ook het jaar van God genoemd: Anno Domini, 2010, het jaar van de Heer, van God. We vragen dikwijls van mensen, van dingen: waar komt hij of zij vandaan? Waar komt dit of dat vandaan? Wat is daarvan de oorsprong? Dan zegt men: Dat is Zweeds staal, of: dat is een Zwitsers horloge. Gegarandeerde kwaliteit, of: dat zijn kinderen uit een goed nest. Maar we komen allemaal uit een goed nest, uit een heel goed nest zelfs. We zijn namelijk door het Woord van God omvat, we zijn mee uitgesproken door God, samen met zijn Woord.

Betekent dat dan dat we helemaal kinderen zijn van God? Uit God geboren? Nee, niet zonder meer. Oorspronkelijk was dat wel zo; in Gods oorspronkelijke plan. Maar "het licht schijnt in de duisternis," het schijnt in dát wat niet God is. God is Licht, maar het licht schijnt in de duisternis, in wat niet van God is, in wat het Woord van God heeft afgewezen en dáárdoor duisternis is geworden. "Hij was in de wereld, de wereld was door Hem geworden en toch erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet."
Je bent dus niet zomaar kind van God, uit God geboren. Daar is een wedergeboorte voor nodig door het geloof, door het sacrament van het geloof, door het heilig Doopsel. "Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, aan allen die in zijn Naam geloven gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden. Zij zijn niet uit het bloed, noch uit de begeerte van het vlees, of de wil van een man, maar uit God geboren."
De nieuwe geboorte, de wedergeboorte, is een geboorte van omhoog. Het is geen pijnloze bevalling, maar één met geboorteweeën. "Het Woord is vlees geworden.” Offervlees! Dat is het vlees waarvan Jezus zegt: “Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt hebt gij het leven niet in u" (Joh 6,53).

Zo is Hij onder ons blijven wonen. Vanaf het begin. Hij is nu onder ons in de gestalte van het vlees, van de hostie, van de offerhostie, van het offervlees. "Het Woord is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond." Niet alleen toen, tweeduizend jaar geleden, toen Hij zijn tenten had opgeslagen, - een herinnering aan de woestijntijd, toen iedereen in een tent woonde en God in zijn eigen tent temidden van zijn volk verbleef, - maar tot op de dag van vandaag woont Hij nog onder ons. Hij is onder ons blijven wonen en, evenals het Woord geen verleden tijd is, zo is ook het wonen van God onder ons geen verleden tijd: Hij is onze huisgenoot.
Laat Hij dan geen lucht voor ons zijn, laten we niet langs Hem heen lopen. Laten we doen, zoals het inderdaad de gewoonte bij u (de zusters van de priorij Nazareth) is. Iedere keer als u de kapel binnenloopt staat u even stil, buigt, groet, om zo aan zijn aanwezigheid recht te doen. Ook als u langs een beeld loopt, bijvoorbeeld een beeld van Maria, doet u hetzelfde.

En zoals u dat bij Hem doet, zo kunt u dat ook bij elkaar doen, want de mensen zijn een beeld van Hem; ze zijn naar zijn beeld en gelijkenis geschapen, door zijn Bloed verlost. Hij woont onder ons, hier, in het heilig Sacrament. Hij woont onder ons in de Kerk, én Hij woont ook nog eens ín ieder van ons, die mee door Hem zijn uitgesproken.
Dat is een opgave, maar het is ook een gave. Het verrijkt je leven, het wordt opgewaardeerd met zijn gezelschap, in zoveel verschillende vormen.

"Het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond."