Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid
Eerste lezing: Handelingen 2,42-47 [A 80] ; antwoordpsalm: Psalm 118,2-4.13-15.22.24 [A 80] ;
tweede lezing: 1 Petrus 1,3-9 [A 81]; vers voor het evangelie: Johannes 20, 29 [A 82]
Evangelie: Johannes 20,19-31 [A 82]
De lezingen zijn in de jaren A, B en C gemeenschappelijk
Inleiding
Vandaag is het de octaafdag, de achtste dag, van Pasen, de tweede zondag van Pasen. We noemen deze zondag niet de eerste zondag ná Pasen, want we laten Pasen niet achter ons in een tijd na Pasen, maar we nemen Pasen met ons mee. We nemen de verheerlijkte Heer, verrezen in de glorie van zijn Vader, met ons mee, hier in ons midden door de paaskaars gesymboliseerd. Sinds een aantal jaren heet deze zondag: 'zondag van de Goddelijke Barmhartigheid', een nieuw feest van een oud geheim: God is barmhartig, zijn liefde voor de zondige mensheid is vanwege die zonde een barmhartige liefde. Wordt er dan tegenwoordig zoveel meer gezondigd? Is er nu meer reden om zich de barmhartigheid van God te binnen te brengen? De barmhartigheid van God houdt in dat Hij een Hart heeft voor de ellende van de mens en de grootste ellende van de mens is zijn zonde. God neemt de ellende van onze zonde op in zijn Hart. Hij beantwoordt het kwaad met goed, met liefde. Of er nu meer kwaad is dan vroeger? In ieder geval beschikt het kwaad over grotere middelen dan vroeger door de technologie en het kwaad wordt ook meer zichtbaar gemaakt, het wordt ons door de communicatiemiddelen als het ware op een bordje geserveerd. Misschien wordt er wel niet meer kwaad aangericht, maar voor het gevoel dringt het kwaad zich meer aan je op. Je wordt erdoor overweldigd en er is geen betere dag dan deze zondag om zich dat antwoord van God op het kwaad te binnen te brengen.
Vandaag verschijnt Jezus te midden van zijn leerlingen en Hij wijst naar zijn Hart. Daar verschijnt het antwoord van God op ons kwaad, op het kwaad dat wij Hem aandoen en ook nog eens op het kwaad tegen de liefde waarmee Hij ons kwaad beantwoordt. Die liefde is bij ons heilig doopsel over ons gekomen, in ons hart uitgestort. Dat is wat wij vieren met het 'Vidi aquam'.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Op de avond van de eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats
van de leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei:
Vrede zij u.
Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen:
Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
Ontvangt de heilige Geest.
Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven,
en wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven.
Thomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd,
was echter niet bij hen, toen Jezus kwam.
De andere leerlingen vertelden hem: Wij hebben de Heer gezien.
Maar hij antwoordde:
Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie
en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken
en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen,
en nu was Thomas erbij.
Hoewel de deuren gesloten waren,
kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei:
Vrede zij u.
Vervolgens zei Hij tot Thomas:
Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde,
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.
Toen riep Thomas uit: Mijn Heer en mijn God!
Toen zei Jezus tot hem: Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.
Nog vele andere tekenen heeft Jezus gedaan
in het bijzijn van zijn leerlingen,
welke niet in dit boek zijn opgetekend,
maar deze hier zijn opgetekend,
opdat gij moogt geloven, dat Jezus de Christus is,
de Zoon van God,
en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn Naam.
Homilie
Zondag van de goddelijke Barmhartigheid! Geen beter evangelie voor dit feest dan het evangelie van vandaag. Want in het evangelie worden we geleidelijk, zeer zorgvuldig naar de bron van de goddelijke Barmhartigheid geleid: het Hart van Jezus.
Jezus kwam binnen en zei: "Vrede zij u. En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde." Nu worden ze nog naast elkaar vermeld: handen én zijde, als gelijkwaardig. Maar Tomas brengt ons naar de plaats waar het allemaal vandaan komt. Zolang "ik mijn vinger niet in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik zeker niet geloven. En ook Jezus zegt acht dagen later tot Tomas: Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde." Wat is daar nu aan te zien? Er is niets aan te zien. Wat er aan te zien is, is de buitenkant van het geheim, dat je niet kunt zien omdat het onzienlijk is, verborgen zoals het hart zelf, maar werkelijk. Het is eigenlijk een kwestie van beschouwen, van contemplatief beschouwen, van liefdevol beschouwen. Dat betekent niet dat je iets ziet, maar dat je er iets in ziet. Toen Tomas uitgenodigd werd zijn vinger in de zijdewond te leggen, zelfs zijn hele hand, werd hij uitgenodigd om zijn hand in de wond te steken van zijn van liefde bloedend Hart. Jezus' Hart is gekwetst, gewond, ze hebben er op getrapt, en Hij heeft Zich er op laten trappen. Die liefdespijn heeft Hij gedragen met nog grotere liefde en dat is nu barmhartige liefde.
Toen Tomas in aanraking kwam met die wonde, kwam hij in aanraking met het Hart van de Goddelijke Barmhartigheid, en dat was het moment waarop hij uitriep: "Míjn Heer en míjn God!" Hij raakte helemaal in de ban van die liefde: 'Dat heeft God voor mij overgehad en ik wist het niet. En Hij is mij liefde blijven geven, de barmhartige liefde van God.' De mensen hebben Hem op zijn Hart getrapt, zijn lijden is liefdesverdriet. Hij heeft eraan geleden en Hij lijdt er nog steeds aan wanneer mensen van Hem weglopen, Hem de rug toekeren, zich van Hem losscheuren. Hij lijdt er persoonlijk aan wat zijn kinderen Hem aandoen en Hij lijdt er ook aan wat zij zichzelf aandoen. Dat is het eigenlijke lijden: het lijden van zijn Hart. Het lichamelijke lijden is een beeld, een teken van zijn zielenlijden, van zijn liefdespijn, van zijn hartzeer, het is het lijden van de goddelijke Barmhartigheid. Daarvan geldt: "Wie Mij ziet, wie Mij ziet lijden, wie in mijn Hart kan lezen, ziet de Vader", ziet de Vader lijden, leest ook in het Hart van mijn Vader (Joh 14,9).
Hoe ziet een gemeenschap er uit als ze zich door zo'n liefde bemind weet? Lucas schetst er ons vandaag in zijn Handelingen der Apostelen een beeld van. "De eerste christenen legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en het gebed. Leer - leven - liturgie! Hoe werd er dus geleefd? In gemeenschap! Ieder is persoonlijk geraakt, maar daarna geven zij weg wat ze zich persoonlijk hebben toegeëigend. Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk. Ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte." Die bezittingen waren een sta-in-de-weg voor het samenzijn, voor de gemeenschap. Het waren kleine muurtjes geworden, grenzen. Maar het gemeenschappelijk leven ging nog verder. Niet alleen de bezittingen die zij ieder voor zich hadden vergaard, deden zij van de hand, zodat het bezit niet meer individueel was, maar iets gemeenschappelijks werd, tot opbouw van de gemeenschap, verdeeld naar ieders behoefte, nee, héél het leven werd gedeeld, in de eerste plaats het kerkleven: "Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel." Voor het gewone gebedsleven kwamen ze samen met de andere Joden. En samen vierden zij ook de eucharistie in een van hun eigen huizen. "Ze braken het brood in een of ander huis. Ook het gewone leven deelden ze samen. Ze genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart." En in dat samenleven hebben zij dan ook de zwakheden van de ander moeten opnemen en verdragen. Dat staat wel niet vermeld, maar dat mag worden verondersteld als er over eensgezind en samen gesproken wordt. Er kwamen geen ruzies voor, geen onderlinge wrijvingen, irritaties, onenigheid, nee, ze waren eensgezind.
Dat wil niet zeggen dat die mensen geen zwakheden hadden, of dat ze volkomen volmaakt waren, maar dat wil zeggen dat zij de lasten samen droegen. Dat nu is dat samenzijn van barmhartige mensen. Ze waren eensgezind rond de Barmhartige, bezield door zijn barmhartige liefde. 'Elke dag', zo staat er eigenlijk, 'bracht de Heer de geredden bij hen'. "Elke dag, zo luidt de vertaling, bracht de Heer er meer bijeen die gered zouden worden." Dat 'bijeen' veronderstelt: bij elkaar. Maar dat is niet de bedoeling, nee, die geredden werden door God de Vader gebracht bij Jezus, de levende Heer in hun midden. Hij die alle kwaad van de wereld heeft gedragen, dus ook van ieder van hen en van ieder van ons persoonlijk. En díe dragende, gevende en vergevende liefde is de band tussen hen allen.
Dat mag dan ook de band zijn tussen ons allen. Heb je er moeite mee om de lasten van een ander te dragen, breng je dan te binnen dat Hij jouw lasten heeft gedragen, en de dankbare liefde daarover zal je in staat stellen om ook de lasten van een ander te dragen.