Tweede zondag van Pasen,
           
Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid
Eerste lezing: Handelingen 2,42-47
Tweede lezing: 1 Petrus 1,3-9
Evangelie: Johannes 20,19-31

De lezingen zijn in de jaren A, B en C gemeenschappelijk


Inleiding  

Vandaag vieren we de zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. Waarom heeft paus Johannes Paulus II in het jaar tweeduizend een aparte zondag voor de Goddelijke Barmhartigheid ingevoerd? Zijn er soms meer zonden dan daarvoor? Wordt er meer gezondigd waarover God zijn goddelijke barmhartigheid moet laten zegevieren? Is er meer te vergeven in onze dagen? Misschien is er niet meer te vergeven, maar zijn de zonden, is het kwaad dat de mensen aanrichten, groter door de werkdadigheid van de middelen waarmee zij zondigen. Hadden ze vroeger het zwaard, tegenwoordig hebben ze het buskruit. Hadden ze vroeger alleen bommen, nu hebben ze atoombommen. En dat niet alleen. Het kwaad dat wordt aangericht over heel de wereld, nu hier, dan daar, wordt door de communicatiemiddelen eveneens overgebracht, nu hier en dan daar. Overal waar mensen zijn, zijn er ook middelen om datgene wat er elders gebeurt, op te vangen, door te geven. Hadden ze vroeger alleen de tamtam, de koerier, of de brief, tegenwoordig hebben ze de televisie, de telefoon, e-mail en allerlei andere vormen van communicatie. Zelfs bijna ieder kind heeft een GSM. Daardoor komt al het goede, maar ook al het kwade, makkelijker naar het menselijk bewustzijn toe. Zo kunnen mensen in onze dagen overweldigd, overspoeld worden door het kwaad. Niet omdat er meer wordt gezondigd, maar omdat de realiteit van de zonde, van het kwaad, meer op het menselijk bewustzijn inwerkt.
Daarom heeft de Kerk tegenover die wassende overvloed van zondebeelden, het beeld van de goddelijke barmhartigheid in ons midden gezet, en dat is wat we op Beloken Pasen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Op de avond van de eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats
van de leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen:
“Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.”
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
“Ontvangt de heilige Geest.
Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven,
en wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven.”
Thomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd,
was echter niet bij hen, toen Jezus kwam.
De andere leerlingen vertelden hem:
“Wij hebben de Heer gezien.”
Maar hij antwoordde:
“Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie
en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken
en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.”
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen,
en nu was Thomas erbij.
Hoewel de deuren gesloten waren,
kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Vervolgens zei Hij tot Thomas:
“Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde,
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.”
Toen riep Thomas uit: “Mijn Heer en mijn God!”
Toen zei Jezus tot hem:
“Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”
Nog vele andere tekenen heeft Jezus gedaan
in het bijzijn van zijn leerlingen,
welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend,
opdat gij moogt geloven, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God,
en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn Naam.

Homilie    

Jezus staat te midden van zijn leerlingen en zegt: "Vrede zij u", vrede aan u. Dat zegt Hij niet als een wens, maar als een constatering. Het is een vrede, zoals Hij eerder had gezegd, niet zoals de wereld die geeft”, maar zoals Ik hem geef :"Mijn vrede geef Ik u” (Joh 14,27). “Een vrede, die volgens Paulus, alle begrip te boven gaat"(Fil 4,7). Dat is een vrede, waarbij de mensen zich de vraag stellen: hoe kun je nu bij alles wat je overkomt de vrede bewaren? Hoe kun je dat met een vredig gemoed dulden? Mensen vragen zich wel eens af: hoe kunnen wij nog onze kinderen aan deze wereld toevertrouwen, hoe kunnen we dat met een vredig en hoopvol hart doen? Daarop zegt Jezus: kijk eens naar Mij! "Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde." Wat is daar aan te zien? Ja, de littekens. Het zijn herkenningstekens dat Hij het is, de Gekruisigde is de Verrezene. Jezus, die ze hebben gekruisigd, dát zie je aan die littekens.

Maar aan die littekens is nog iets anders te zien. Je kunt er aan zien dat Hij de Barmhartige is. Want bij wat de mensen Hem hebben aangedaan, het allerergste, ging Hij met zijn liefde tot het uiterste; toen het kwaad tegen Hem tot het uiterste ging, de grootste misdaad van de mensheid, ging Hij met zijn barmhartige liefde tot het uiterste. Erger schanddaad valt niet te bedenken wat ze Gods eigen Zoon hebben aangedaan, de Lievelingszoon, de Lieveling van God op aarde.

Als Jezus zijn handen en zijn zijde met de tekenen van die schanddaad toont, worden de leerlingen niet beschaamd gemaakt, niet vernederd, verpletterd, vernietigd. Eigenlijk een wonder dat dat niet gebeurde, maar er staat: "De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen", toen zij de Heer zó zagen. De littekenen van de schanddaad van de mensen, van ons allemaal, schitterden van de liefde waarmee Hij dat kwaad heeft gedragen. Hij werd er niet kwaad over, Hij was niet verbolgen, Hij nam geen wraak, er volgde geen straf, geen veroordeling of terechtstelling. Dat had eigenlijk moeten gebeuren, maar in plaats daarvan gaf Hij vrede, verzoening, zachtheid, barmhartigheid.

Zo wordt Hij door de Kerk hier in ons midden gesteld. Want zo eindigt het evangelie ook, nadat Jezus opnieuw in het midden van zijn leerlingen was komen staan, met in het midden van Jezus: zijn zijde. "Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde", opdat wij gefixeerd zouden worden, hoe het allerergste dat de mensheid Iemand heeft aangedaan, de Zoon van God nog wel, tegemoet getreden wordt met een barmhartig Hart. En die gezindheid geeft Hij ook aan zijn leerlingen, aan zijn Kerk. "Na deze woorden blies Hij over hen en zei: Ontvangt de heilige Geest", de Geest waarmee Jezus die schanddaad heeft ondergaan in zachtmoedigheid, in nederigheid, in zelfverloochening, in geduld tot het uiterste. Als "het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegdraagt" (Joh 1,29).
In een tijd waarin het kwaad tot het uiterste gevoeld wordt, in een tijd waarin een samenballing van kwaad plaatsvindt, stelt de Kerk hier in ons midden een samenballing, een concentratie van goedheid, niet zo maar goedheid, maar van een goedheid die het slechtste verdraagt, duldt en op die manier overwint. Dat is de Geest die de wereld overwint, ons geloof. Geloof in de alles omvattende en alles duldende en dragende liefde van onze Heer Jezus.

Jezus heeft een heel goede herinnering, maar sommige dingen kan Hij niet goed onthouden, en dat is het kwaad dat wij Hem hebben aangedaan. Dat is Hij helemaal kwijt. Dat goede, zijn goedheid, zijn Goddelijke Barmhartigheid, is in de herinnering van de Kerk opgeslagen. Dat we die Goddelijke Barmhartigheid steeds weer mogen ontvangen.