Kersttijd
                                    3 januari 2009
                            Heilige Naam van Jezus


Eerste lezing: 1 Johannes 2,29-3,6 [I 59]
Evangelie: Johannes 1,29-34 [I 60]


Inleiding  

In de Kersttijd vieren wij Jezus als het kerstbrood. Hij werd geboren in 'Betlehem', dat betekent: de stad van het brood. 'Bet' is stad en 'lehem' is brood. En het Kind ligt niet in een wieg, maar in een kribbe, dat is een voederbak voor dieren. Hij ligt daar om gegeten te worden, om Zich te laten verslinden uit liefde voor de mensen, opdat wij zijn geest van zachtmoedigheid, de geest van het lam, het Lam van God, in ons zouden opnemen en opnieuw vlees zouden laten worden.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij nog leven voor onszelf en niet naar de geest van Jezus, zachtmoedig, nederig van hart.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zag Johannes Jezus naar zich toekomen en zei:
“Zie, het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt.
Deze is het van wie ik zei:
Achter mij komt een man die vóór mij is,
want Hij was eerder dan ik.
Ook ik kende Hem niet,
maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden,
daarom kwam ik met water dopen.”
Verder getuigde Johannes:
“Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen
en Hij bleef op Hem rusten.
Ook ik kende Hem niet,
maar die mij gezonden had om met water te dopen,
Hij had tot mij gesproken:
Op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten,
Hij is het die doopt met de heilige Geest.
Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd:
Deze is de Zoon van God.”

Homilie  

“Ook ik kende Hem niet."
Tot tweemaal toe beweert Johannes de Doper dat hij Jezus niet kende. Hoe zou hij Hem niet gekend hebben? Was zijn moeder Elisabeth niet een verwante van Maria, de moeder van Jezus? "Uw nicht Elisabeth zal een zoon ontvangen." Het kind in haar schoot, als teken van de waarheid. Uw bloedverwante. Ze kenden elkaar, hoe kan Johannes de Doper dan zeggen dat hij Hem niet kende? Blijkbaar is kennen en kennen twee, is er weten en weten. Er is het weten van de mens, wat sint Paulus 'het weten naar het vlees' noemt, het kennen naar het vlees. Zo kende sint Paulus Jezus voordat Hij hem geopenbaard werd, bij Damascus. Hij kende Hem naar het vlees, maar hij kende Hem nog niet naar de geest.

Zo is het Johannes de Doper ook vergaan. Hem, die Paulus kende naar het vlees, begon hij op een gegeven ogenblik te kennen naar de geest, met een door God ingestorte kennis. Een kennis die men alleen kan hebben wanneer men deel heeft aan het wezen van God. Een ingestorte, beschouwelijke kennis, een kennis door ervaring, door aanraking, zoals wij met de zintuigen kennen, de dingen aanraken, ervaren en zo kennen. Zo is het ook met God. Zo heeft God Zich ook doen kennen. "Het Woord is vlees geworden" (Joh 1,14). En toen Johannes de Doper Hem zo leerde kennen, maakte zich een schroom van hem meester. Hij week als het ware achteruit, een gevoel van onwaardigheid overviel hem. "Ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken.” (Joh 1,27). “Ik heb úw doopsel nodig en Gij komt tot mij?" (Mt 3,14).

Is Jezus dan veranderd? Nee, Jezus is niet veranderd, Johannes is veranderd. En welke verandering heeft zich dan in hem afgespeeld? Welke verandering moet zich in ons afspelen willen wij Hem kennen zoals Hij is, willen wij in Jezus de Christus, in de vernederde, de Verheerlijkte kunnen zien? De barrière om dat te zien is onze zondigheid. Of liever gezegd niet onze zondigheid, maar dat wij niet weten van onze zondigheid. Als ons een licht opgaat over onze duisternis, dan gaat het licht op over de duisternis van Jezus' menselijke gestalte.

En zo is het ook gebeurd, uiteindelijk, aan het kruis. "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, vol genade en waarheid" (Joh 1,14), toen die twee werden samengebracht, toen wij in het één het ander zagen. Niet slechts een menselijke gestalte, maar Iemand die zijn menselijke gestalte heeft losgelaten, Zichzelf heeft gegeven tot op de bodem, Zich tot op het bot heeft laten vernederen. Toen Hij de laatste plaats heeft ingenomen en daarin de heerlijkheid Gods ontmoet, God die Zich neerbuigt over zijn vernederde Zoon en Hem opwekt uit de dood. Die twee samen, niet uit elkaar halen, maar in elkaar laten.

Straks wordt de Heer hier weer ter aanbidding uitgesteld in de offerschaal. Geen prachtige monstrans, een zekere heerlijkheid, maar toch heel laag, heel klein, een beetje armzalig. Soms ergeren mensen zich over deze wijze van uitstellen. De Heer komt toch wel meer toe? Het kan ook nooit zo klein als God de Vader zijn eigen Zoon heeft uitgesteld onder de mensen, in een gewone gestalte, ja zelfs in een onmenselijke gestalte aan het kruis. Iets daarvan mag u hier, in deze wijze van uitstellen, aanschouwen en leren liefhebben.