Feest van de HH. Simon en Judas, apostelen
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Efeziërs 2,19-22 [IV 113];
Evangelie Lc. 6,12-16 [IV 114]
Inleiding
Waarom vieren we bij elke apostel feest en zingen we het Gloria, en nog wel in het gregoriaans? Waarom wordt er méér uit de kast gehaald dan bij welke andere heilige of martelaar ook? Dat is vanwege de band met Jezus! Zij vormen één lichaam, één gemeenschap met Jezus en in Jezus met de Vader. Met Jezus begint het, Hij is de Gezondene van de Vader, de Apostel van de Vader. Een apostel is een gezondene, hij is zoals degene die hem zendt. Jezus is zoals de Vader die Hem zendt en zo zijn de apostelen, die op hun beurt gezondenen zijn door Jezus, zoals Jezus. Wij hebben daarom door de apostelen een onmiddellijk contact met Jezus. We zijn een apostolische Kerk, we zijn apostolische mensen, niet in de zin dat wij verkondigen, maar dat wij van apostolische oorsprong zijn.
Vandaag vieren we dus het feest van deze twee apostelen. Ten eerste: Simon, de IJveraar; Zeloot, behorend tot de Zeloten, de IJveraars voor de Mozaïse wet, tot de wetgetrouwen, tot de fundamentalisten, zouden wij tegenwoordig zeggen. Volgens de overlevering zou hij de opvolger geweest zijn van Jakobus de Mindere, toen deze in het jaar 62 door het zwaard was terecht gesteld. Hij bestuurde het bisdom Jeruzalem toen deze stad door Titus en Vespasianus werd belegerd, waardoor de christengemeente de stad verliet. Ten tweede: Judas Thaddeüs, wat betekent: de moedige, de dappere, ook wel genoemd: Judas van Jakobus, hij werd gehouden voor een broer van Jakobus, Jakobus de Mindere, die evenals deze een broeder van de Heer werd genoemd.
Beiden, Simon de IJveraar en Judas Thaddeüs, worden geroepen als apostel. Ze worden niet alleen door God geroepen tot Jezus, maar ze worden ook ergens van weggeroepen. Simon weg uit zijn fundamentalisme en Zelotendom, weg uit zijn fanatisme en Judas weg uit zijn familie. Ook hierin zijn ze één met Jezus, die ook uit zijn familie weggeroepen werd, weg uit Nazareth, weg uit het familiebedrijfje van de timmerman Jozef.
Dat is wat wij aan het begin van deze eucharistie ook mogen doen, ons van onze zelfgerechtigheid laten bevrijden. Wij, die verlossing, bevrijding, rechtvaardiging nodig hebben door God.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die dagen ging Jezus naar het gebergte
om te bidden
en bracht daar de nacht door in gebed tot God.
Bij het aanbreken van de dag
riep Hij zijn leerlingen bij Zich en koos er twaalf uit,
aan wie Hij tevens de naam van apostel gaf:
Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf,
diens broer Andreas,
Jakobus en Johannes,
Filippus en Bartholomeüs,
Matteüs en Thomas,
Jakobus, de zoon van Alfeüs,
Simon met de bijnaam 'IJveraar',
Judas de broer van Jakobus
en Judas Iskariot, die een verrader werd.
Homilie
Hoe komt het apostelcollege tot stand? Hoe zijn Simon en Judas, de apostelen wiens feest wij vandaag vieren, apostel geworden? Dat gaat zo: "In die dagen ging Jezus naar het gebergte om te bidden en bracht de nacht door in gebed tot God." Jezus bidt op de berg, niet als enkeling, maar als bidder voor het volk, zoals Mozes op de berg de geboden, de woorden van God uit Gods hand ontving voor het volk. Jezus is als Mozes op de berg aan het bidden en u bent als slotzusters op de berg voor en namens het volk aan het bidden. U wordt door de mensen gezien als degenen die bidden voor het volk in de vlakte van het leven.
Jezus plaatst Zich hier als de Biddende voor het volk, om in het gebed de apostelen te laten kiezen door de Vader. Jezus is de Gezondene, de Apostel, van God. Hij laat door God de namen van de leerlingen die Hij tot apostelen wil kiezen, bepalen. In zijn gebed heeft de Vader die namen één voor één door zijn hart, door zijn geest laten gaan. En pas bij het aanbreken van de dag riep Hij zijn leerlingen bij Zich; allemaal moesten ze naar boven komen, delend in zijn gebed en samen met Hem werden zij één lichaam en één geest, en samen met hen daalt Hij af naar de vlakte beneden.
Eerst keert Jezus zijn leerlingen de rug toe, eerst wendt Hij Zich van alles en iedereen af. U (de zusters van priorij Nazaret) doet dat ook. Om een echte voorbidster te kunnen zijn, voorspreekster te kunnen zijn voor het volk van God beneden in de vlakte van het leven, moet u zich eerst van hen afwenden. Om tot het apostolaat te kunnen komen, in welke vorm dan ook, moet je eerst de wereld verlaten, anders is het geen apostolaat, maar wordt het zelotendom, zoals in eerste instantie bij Simon, fanatisme, fundamentalisme, zieltjes winnen, proselitisme, of het verwordt van godsdienst tot een familiezaakje, zoals bij Judas Thaddeüs het gevaar was.
Dat je je eerst van de anderen moet afwenden geeft Jezus te kennen door de entourage van zijn gebed: het gebergte, dat wil zeggen: een onherbergzame plaats, een plaats waar niemand is, waar je je niet in menselijk gezelschap bevindt, waar niemand kan wonen, waar het ongezellig is, én het was bovendien in de nacht, als iedereen slaapt. Zo is het bij u ook. Door het nachtelijk gebed, alleen of samen, bent u voor de mensen beneden in de vlakte als een vuurzuil. Zoals de nacht van Jezus daarboven op de berg, die Hij voor zijn gebed had gekozen, werd verlicht door het goddelijk vuur, zo worden ook de nachten die u doorbrengt in gebed, verlicht door het goddelijk vuur. De mensen vertrouwen daarop. Zij maken iets mee wat ze in de wereld niet meemaken. Daar maken ze mee, en dat neemt overal in de wereld steeds grotere vormen aan, dat iedereen voor zichzelf zorgt en dat er niet altijd iemand voor hen klaar staat. Hier en nu, dag en nacht, zijn mensen verzekerd dat er voor hen gebeden wordt, dat God hen dus altijd nabij is. Afroepbaar. De voorbeden stromen hier binnen. Door uw constante gebed is de hulp van God verzekerd.
Op die buitenwereldlijke plaats, op dat buitenwereldse tijdstip, op de berg in de nacht, verkeert Jezus met die buitenwereldlijke God. Wat gebeurt er nu precies? Dat staat er niet. Er staat niets over wat Jezus zegt, wat Hij beleeft. Dat is dan ook niet te zeggen, het is onuitsprekelijk. Zoals u, wanneer u in gebed bent, iets beleeft wat onuitsprekelijk is. God is niet van deze wereld. Hij is niet te vangen in de nauwe schaal van je schedel, Hij is niet in woorden te vangen, niet in gevoelens, Hij gaat alles en allen te boven, en pas als Jezus God helemaal God heeft laten zijn, als er helemaal niets van deze wereld bij is, als Hij helemaal transcendent is, verheven, afgescheiden van deze wereld, dán pas keert Jezus Zich naar de wereld toe. God is niet van de wereld afgekeerd, Hij is niet wereldvijandig, wereldvreemd, Hij stoot de wereld niet af. Hoe zou Hij dat kunnen!? Hij die zelf de wereld schiep en ons allen in het aanzijn heeft geroepen, met liefde heeft geschapen.
De manier om met de wereld om te gaan, is met de Schepper van deze wereld mee te gaan, zich in zijn genadevolle toewending naar de wereld laten opnemen. En dat is Jezus! Jezus is Gods genadevolle toewending naar de wereld in Persoon. Hij is de Genade, de vleesgeworden Genade. Dat laat zien hoe Jezus, vervuld van de liefde van de Vader, Zich omkeert naar de wereld toe, om die buitenwereldse kracht, die bovenmenselijke liefde van God, die Hij in het gebed heeft ontvangen en steeds weer opnieuw ontvangt, mee te delen aan de wereld. Hij daalt niet af, maar roept eerst zijn leerlingen bij Zich omhoog en pas na de keuze, staat er, daalde Hij samen met hen af. Apostel zijn wij allemaal, mensen van de 'apostolische Kerk'. Apostel zijn is: in Jezus' Godservaring worden opgenomen en dat steeds weer opnieuw. Apostel betekent immers: gevolmachtigde, mensen die kunnen handelen in de Naam van hun opdrachtgever, die hun opdrachtgever, Jezus, als het ware tegenwoordig stellen, representeren.
Dat is wat wij in iedere eucharistie mogen worden. We mogen Jezus worden! Wij zijn opgenomen in Hem bij de transsubstantiatie van brood en wijn. Want wanneer wij bij de offerande onszelf aan God uit handen hebben gegeven, worden wij ook zelf in die transsubstantiatie opgenomen, worden wij in Jezus veranderd. De gevoelens van zíjn Hart, nederigheid en zachtmoedigheid, worden dan ook de gevoelens van óns hart.