Donderdag in de dertigste week
        van het even jaar
Eerste lezing: Efeziërs 6,10-20 [III 355];
Evangelie: Lucas 13,31-35 [III 356]


Inleiding  

God wil zijn volk voeden, verzadigen, laten eten en drinken, precies zoals ouders hun kinderen. Hij gaat met hen om als vaders en moeders met hun kinderen. "Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, vreedzame, voedzame en voedende bedoelingen, “maar gij hebt niet gewild." Zo staan wij hier, of liever gezegd: zo staat Hij hier bij ons, om onze onwil te voeden met zijn vrede, met zijn liefde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd kwamen enige Farizeeën Jezus zeggen:
“Vlucht, ga hier vandaan,
want Herodes wil U vermoorden.”
Hij sprak tot hen:
“Gaat aan die vos zeggen:
Zie, Ik drijf duivels uit
en Ik bewerk genezingen vandaag en morgen;
en op de derde dag komt voor Mij de voltooiing.
Maar vandaag, morgen en overmorgen moet Ik voorttrekken,
want het past niet dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt.  
Jeruzalem, Jeruzalem,
dat de profeten doodt en stenigt die tot u zijn gezonden!
Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen,
zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels,
maar gij hebt niet gewild.
Zie, uw huis zal onbewoond achtergelaten worden.
Ik zeg u: Gij zult Mij niet meer zien
totdat de tijd komt waarop gij zult zeggen:
Gezegend de Komende in de naam des Heren.”

Homilie  

Wat een krijgshaftige taal vandaag! Paulus heeft het over wapenrusting, harnas, schild, helm. Het zijn verdedigingswapens, want anderen strijden tegen ons. En dat zijn niet alleen maar tegenstanders van vlees en bloed, maar het is ook de duivel met zijn listen, geestelijke machten en heerschappijen. Het zijn de machten van de duisternis, de boze geesten in de hemelen. Het zijn onze tegenstanders die ons bestrijden en ons op de proef stellen en proberen ons te verleiden tot het kwade.

Deze tegenstanders komen vanuit een andere dimensie, onverwacht, je ziet ze niet aankomen, we kunnen elk ogenblik overvallen worden. Maar daartegen hebben wij wel geëigende verdedigingswapens: het heil, het geloof, de vrede, én wij hebben ook een eigen aanvalswapen, ons door Paulus in de handen gedrukt, en dat is het zwaard, niet het gewone zwaard, maar het zwaard van de heilige Geest, dat is "het woord van God,” legt hij uit. Dat zwaard, het woord van God, wordt in de brief aan de Hebreeën genoemd: “levend en krachtig, scherper dan een tweesnijdend zwaard en het dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van gewrichten en merg (He 4,12). Het raakt niet de buitenkant, maar het raakt ons hart én dat van de ander. “Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van de mens" (He 4,12).

Krijgshaftige taal gebruikt ook Jezus wanneer Hij zegt: "Denk niet dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; Ik ben geen vrede komen brengen maar het zwaard. Verdeeldheid ben Ik komen brengen tussen de man en zijn vader, tussen moeder en dochter, tussen schoonmoeder en schoondochter; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn (Mt 10,34-36). Jezus zegt dit niet omdat God op zijn bedoelingen zou zijn teruggekomen: “Eer aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen die Hij lief heeft (Lc 2,14), maar omdat de mensen niet op de bedoelingen van God ingaan. Jezus heeft dat al eens bij zijn zendingsrede tot de apostelen gezegd: “Zie, Ik zend u uit als schapen tussen wolven. Laat in welk huis u ook binnengaat uw eerste woord zijn: Vrede aan dit huis. Woont daar een vredelievend mens, dan zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan zal hij op u terugkeren" (Lc 10,3-7). Het kan dus zijn dat hij niet wordt aangenomen.

Is het immers niet zo dat we, nadat de engelen met kerstmis de vrede van God aan de wereld hebben verkondigd, de vrede van Christus hebben meegedeeld, op de tweede dag al de eerste bloedgetuige vieren: de heilige Stefanus, gewelddadig gedood door steniging. En ook op de vierde kerstdag komt het zwaard eraan te pas, het zwaard van Herodes dat de onnozele kinderen doodt. Jezus komt Jeruzalem binnen met vredelievende bedoelingen: "Ik heb uw kinderen (de kinderen van Jeruzalem) willen verzamelen zoals een kloek haar kuikens verzamelt, maar gij hebt niet gewild.” En het gevolg daarvan is: “Uw huis zal onbewoond worden achtergelaten." Dat betekent: Jeruzalem zal worden verwoest, zal worden verlaten.

Hoe dan ook, de vrede blijft, want die trekt zich terug in Jezus, en Jezus blijft, door de dood heen. Hij staat hier in het middelpunt, zijn vrede gevend: 'Vrede zij u.' Dat zegt Jezus op de eerste dag van de nieuwe week, van de nieuwe scheppingsweek, van de nieuwe schepping, tot zijn kerk, tot ons, en van daaruit stroomt er uit een nooit opdrogende bron vrede de harten van de gelovigen binnen. Dát is een vrede die niet afhankelijk is van omstandigheden, van prettige, vredelievende mensen om je heen, dat is een vrede die voortkomt uit het hart van Jezus, dat is een vrede die juist is gewonnen in een opmaat, een overmaat aan onvrede. Alles waarbij mensen maar vrede kunnen vinden werd Jezus ontnomen. Maar inwendig is Hij in vrede gebleven. Bij de vredeloze bedoelingen van zijn tegenstanders heeft Hij de vrede van het hart bewaard. Hij heeft de vrede als het ware opnieuw bevochten en bevestigd en geplant in zijn Kerk, door haar zelf midden in de Kerk te planten: 'Vrede zij u.'