Vrijdag in de dertigste week
      van het even jaar
Eerste lezing: Filippenzen 1,1-11 [III 357];
Evangelie: Lucas 14,1-6 [III 358]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Jezus op een sabbat
het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging
om de maaltijd te gebruiken,
hielden ze Hem voortdurend in het oog.
Op een gegeven ogenblik werd Hij een man gewaar,
die aan waterzucht leed.
Daarop richtte Jezus zich tot de wetgeleerde en Farizeeën
met de vraag:
“Mag men op sabbat iemand genezen of niet?”
Maar ze zeiden niets.
Daarop legde Hij zijn hand op hem,
Hij genas hem en liet hem heengaan.
Vervolgens keerde Hij Zich tot hen met de woorden:
“Wie van u zal niet terstond,
als zijn zoon of zijn os in een put valt,
hem er uit trekken, ook al is het sabbat?”
Ze waren niet in staat er iets tegen in te brengen.

Homilie      

“Jezus ging op een sabbat het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnen om er de maaltijd te gebruiken."
Jezus bevindt Zich in een situatie waarin wij zelf dagelijks verkeren: met elkaar aan tafel aanzitten. We zien elkaar aan, we nemen elkaar op, we beschouwen elkaar, en vooral als de maaltijd in stilte wordt doorgebracht, is de communicatie soms nog intenser dan wanneer we met elkaar spreken. Als we zo in stilte de ander opnemen, dan blijft het niet bij opnemen, zien en schouwen, maar dan gaat dat opnemen dikwijls gepaard met oordelen, met negatief kijken zoals de Farizeeën deden. "Ze hielden Hem voortdurend in het oog", om Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Ze kijken oordelend, negatief, veroordelend. Zij kijken heel anders dan Jezus kijkt. Hij ziet de waterzuchtige. "Hij werd een man gewaar die aan waterzucht leed", en Hij kijkt naar zijn gebrek om er iets aan te doen. Hij ziet het negatieve, maar niet om hem daarop te fixeren, om hem daarom te veroordelen, maar om hem te verbeteren, te redden, te genezen.

Het is goed om uit het antwoord dat iemand geeft, uit de opmerking die iemand maakt, uit ook de wat minder gelukkige formulering die een beetje negatief klinkt, toch het goede te halen, de goede bedoeling. Je zou kunnen zeggen: de een kijkt met het verstand, de ander met het hart. De een constateert gevoelloos, met zijn verstand, en de ander kijkt met het hart, dat is een meevoelen met wat er in het innerlijk van de ander beleefd wordt. Dat is wat sint Paulus vandaag in de brief aan de Filippenzen noemt: "kunnen onderscheiden waar het op aankomt." Het gaat om de innerlijke dynamiek; het gaat niet alleen om datgene wat er gevoeld, beleefd, of gezegd wordt, maar waar het naartoe leidt. Hij omschrijft dat als een liefde die rijk is aan inzicht en fijngevoeligheid. "Dit is mijn bede: Moge uw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid, om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt."

Er zijn twee manieren van kijken. De ene manier ziet de buitenkant alleen, dus met de ogen, met het verstand, en de andere manier van kijken is de buitenkant én de binnenkant. Dat je de buitenkant ziet vanuit de binnenkant, vanuit het hart. Jezus is de man van het hart, van de binnenkant. Zo schetst Paulus Hem vandaag in de brief aan de Filippenzen. Hij is zelf ook een man van het hart. Hij wordt dan ook dikwijls afgebeeld met een vurig, brandend hart. Hij spreekt ook als een man van het hart: "God weet hoe vurig ik naar u allen verlang, met de innigheid van Christus Jezus zelf." Eigenlijk staat daar een woord, dat anders altijd vertaald wordt met: medelijden. Maar vanuit deze vertaling van dat woord krijgen wij een ander zicht op het medelijden van Jezus. Het wordt nu vertaald met de innigheid van Christus. Jezus heeft een innig gevoel van mededogen. Zijn hart is een innig meevoelend hart; het mededogen komt uit de grond van zijn hart. Het heeft de betekenis van wat er in ons woord sympathie zit, iemand die met anderen meevoelt. Dat doet Jezus, de man van het hart. Hij heeft een innig meevoelen met het leed van de mens die Hij ziet. Hij staat tegenover je zoals de boer tegenover zijn eigen huisdier, os of ezel, en zoals een vader tegenover zijn zoon, die, als hij in de put valt, hem er meteen uit haalt. Het is toch zijn eigen kind. Wij zijn Hem eigen. We zijn geen buitenstaander. Nee, het is als wat aan de ander gebeurt, aan Hemzelf gebeurt.

We zijn allemaal kinderen van zijn Vader. We zijn door de Vader aan Jezus toevertrouwd en daardoor zijn we allemaal broers en zussen van Hem, maar ook van elkaar. Wanneer Jezus ons aankijkt, voelt Hij de liefde van zijn Vader voor ons. Voelt Hij de liefde van de Vader voor die waterzuchtige, die het beeld is van de mens in zijn zonden, die zich probeert te verzadigen, zijn dorst te lessen aan de goederen van deze wereld en daar nooit genoeg van krijgt. Jezus echter geeft ons het levende water, het water dat écht onze dorst lest. "Wie van dit water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in de eeuwigheid geen dorst meer" (Joh 4,14). Dat is de heilige Geest. Maar Jezus geeft ons niet alleen water om onze dorst te lessen, Hij geeft ons ook zijn Bloed om ons te reinigen. Dat is wat er in de eucharistie gebeurt, en dat wordt in de tekenen van water, wijn en brood verbeeld.

Vandaag worden wij uitgenodigd, om in die tekenen en in die woorden de innigheid te proeven van de liefde waarmee Hij het ons geeft. Wat het Hem heeft gekost en hoe graag Hij dat voor ons heeft overgehad, zodat wij, daardoor verzacht in onze gevoelens, ook op die wijze de ander tegemoet kunnen treden.