Eerste lezing: Efeziërs 6,1-9 [III353];
Evangelie: Lucas 13,22-30 [III 354]
Inleiding
'God is mijn toevlucht en mijn burcht. God is mijn schild en mijn vertrouwen.' Dat is de precaire situatie waarin wij staan, wanneer wij in de liturgie voor God verschijnen. Precair omdat wij dan voor God verschijnen met onze zonden. Er moet Iemand zijn die ons dekt, die het voor ons opneemt, die zijn schild tegen de brandende pijlen van de aanklacht om onze zonden afweert, die ons beschermt. En dat is Jezus! Jezus is God, en Hij stelt zijn schild en zijn kracht voor ons in het werk, om ons te beschermen tegen het oordeel van God omwille van onze zonden.
Belijden wij dan onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd trok Jezus rond
door steden en dorpen, en gaf er onderricht
en Hij zette zijn reis voort naar Jeruzalem.
Iemand vroeg Hem:
Heer, zijn het er weinig die gered worden?
Maar Hij sprak tot hem:
Spant u tot het uiterste in
om door de nauwe deur binnen te komen,
want, Ik zeg u, velen zullen proberen binnen te komen
maar zij zullen er niet in slagen.
Als eenmaal de huisvader is opgestaan en de deur gesloten heeft
en gij dan buiten op de deur begint te kloppen
en begint te roepen: Heer, doe open!
zal Hij u antwoorden: Ik weet niet waar gij vandaan komt.
Dan zult ge opwerpen:
In uw tegenwoordigheid hebben wij gegeten en gedronken,
en in onze straten hebt Gij onderricht gegeven.
Maar weer zal zijn antwoord zijn:
Ik weet niet waar gij vandaan komt.
Gaat weg van Mij, gij allen, bedrijvers van ongerechtigheid.
Daar zal geween zijn en tandengeknars,
wanneer gij Abraham, Isaak en Jakob en al de profeten
zult zien in het Rijk Gods,
terwijl ge zelf buitengeworpen zult zijn.
Zij zullen komen uit het oosten en het westen,
uit het noorden en het zuiden,
en ze zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.
Denkt er aan:
er zijn laatsten die eersten en eersten die laatsten zullen zijn.
Homilie
Heer, zijn het er weinig die gered worden?" Het is een nogal vrijblijvende vraag, zo van iemand die aan de zijlijn staat. Maar het gaat hier niet om academische kwesties, om interessante vraagstukken, het gaat niet om theoretische problemen waar ieder een eigen mening over kan hebben, maar het is een kwestie van erop of eronder. En niet van anderen, maar van jóu. Het evangelie gaat nooit over anderen, het gaat altijd over jou.
De steller van deze vraag: "Heer, zijn het er weinig die gered worden?", gaat ervan uit dat Jezus een ingewijde is in het grote wel en wee van de mensheid, Iemand aan wie je zulke vragen kunt stellen, met wie je over zulke vragen van gedachten kunt wisselen. Het zijn vragen van een buitenstaander, van iemand die er zelfs niets mee te maken heeft, die alleen maar nieuwsgierig is naar de gang van zaken en niet beseft dat hijzelf met huid en haar betrokken is in zijn vraagstelling. Jezus probeert deze outsider tot insider te maken, tot betrokkenen. Iemands huis staat in lichterlaaie; aan een voorbij rennende brandmeester vraagt hij: Zeg, zijn het er velen die nog levend uit dit brandende huis komen? De brandmeester zal dan antwoorden: Man, maak je uit de voeten, want er dreigt een explosie en dan zul ook jij het niet overleven. Zoiets.
Jij staat op het punt om te verdrinken, je bent een drenkeling. Hier is je Redder, je Verlosser, laat je redden door Hem. Want naderhand, bij het laatste oordeel, heb je er helemaal niets aan dat je dan in Jezus' tegenwoordigheid hebt gegeten en gedronken en dat je hebt gezien hoe Jezus in jouw straat onderricht heeft gegeven. Dan heb je er niets aan dat je een interessante vraag hebt gesteld over de kansen van het christendom in deze tijd en of er na deze malaise misschien weer een nieuwe bloei zal komen. Dat zijn allemaal vragen van mensen in de positie van een buitenstaander. Dat zijn vragen in de geest van de Farizeeën. Zij vragen aan Jezus: "Wanneer zal het rijk Gods komen? Hij gaf hun ten antwoord: De komst van het Koninkrijk Gods kunt ge niet waarnemen. Men kan niet zeggen: Kijk hier is het, of daar is het. Want het Rijk Gods is midden onder u" (Lc 17, 20,21). Dat geldt evenzo voor de gewone menselijke verhoudingen. Het is niet alleen maar een menselijke verhouding, zoals een gebeuren in de tijd niet alleen maar een gebeuren in de tijd is, het is tegelijkertijd een gebeuren in de eeuwigheid. Paulus drukt dat zo uit: "Slaven, wees uw meester gehoorzaam met eerbied en eenvoud van hart als gold uw onderdanigheid Christus zelf." In de horizontale verhoudingen is een verticale verhouding opgesloten. Het is Jezus zélf die de Meester is van knechten en meesters. Zij zijn niet als ogendienaars die mensen willen behagen, maar als knechten van Christus die Gods wil van harte willen volbrengen.
Ga niet zo in op de gewone menselijke verhoudingen, of liever gezegd: ga er niet in onder. De verhouding van de gelovige tot God, van de leerling tot ons aller Meester, moet in alles de boventoon voeren. En zo moet het in heel ons doen en laten zijn. Als je handelt, moet je niet in je handelingen opgaan, zelfs niet als het vrome handelingen zijn. Het moet in verhouding zijn tot God.
Er heerst in dit evangelie een stemming van opbreken en wegwezen, net als in de regel van Benedictus: 'Laten wij eindelijk eens opstaan', zegt Benedictus, 'gewekt door het woord van de Schrift. Het is tijd voor ons om op te staan uit de slaap. Onze ogen geopend voor het goddelijk licht moeten wij met een aandachtig oor luisteren naar wat Gods stem ons dagelijks vermanend toeroept: als gij vandaag zijn stem hoort, maakt dan uw hart niet ongevoelig. En wat zegt Hij: Komt, mijn zonen, luistert naar Mij. Ik zal u onderrichten in de vreze des Heren. Haast u voort zolang u het licht van het leven bezit, opdat de duisternis van de dood u niet overvalt.'
Dat zijn woorden die ons wakker schudden. Ze dringen op ons aan om op te breken. Wordt wakker! Hoor je de klok niet? Je moet opstaan, niets is gevaarlijker dan nu te blijven liggen of weer in te slapen. Nee, je moet opstaan, nu, niet later. Alles staat op het spel! Ja, wat is er dan?, vroeg iemand, de geestelijk slaap uit zijn ogen wrijvend. Wat er aan de hand is? Je moet opstaan. Je moet alles laten liggen en laten staan, als je het Woord van God hebt gehoord. Dat is het levensgevoel van Jezus, en dat is ook het levensgevoel van de dienstknecht van Jezus. "Span u tot het uiterste in."
Dat mogen wij nu ook in de eucharistie met des temeer reden doen, omdat Hij inderdaad komt, nu, over een paar minuten, als een voorsmaak van dat laatste oordeel dat eens voor iedereen zal aanbreken.