Eerste lezing: Efeziërs 5,21-33
Evangelie: Lucas 13,18-21
Inleiding
'Zoals de ogen der dienstmaagd zijn gericht op de hand der gebiedster, zo zijn onze ogen gericht op de Heer, onze God, totdat Hij Zich over ons ontfermt.' Normaal gesproken moest het personeel aan het begin van de dag voor de gebiedster verschijnen, op het appèl komen, om de bevelen in ontvangst te nemen over wat zij die dag moesten gaan doen. Maar soms moesten ze ook voor hun gebiedster verschijnen als er iets verkeerds was gebeurd, of als ze straf hadden verdiend. Zonder dat de gebiedster iets zei, konden zij aan de hand van de gebiedster zien wat haar uitspraak zou zijn: straf of vrijspraak. Daar stond een bepaald gebaar voor, en ze bleven net zo lang naar die hand kijken tot dat gebaar er uit kwam. Dat kon dus twee kanten op. Zo was het ook bij de Romeinse keizers. Als de strijders hun strijd hadden gestreden, kon hij nog uitmaken of er genade zou zijn of vonnis, en dat liet hij merken met zijn hand. Als de duim naar beneden wees, betekende dat dat zij moesten sterven.
Maar hier, als wij schuldbewust van onze zonden voor God staan, weten we dat er bij Hem maar één mogelijkheid is, en dat is dat Hij Zich over ons ontfermt, en ons vrijspraak en vergiffenis schenkt. Dat is in ons hart als een zekerheid, een geloofszekerheid. Dat is het mosterdzaadje, dat is het kleine beetje gist, dat aan de oorsprong ligt van alle christelijk gebed en van alle vieringen.
Belijden wij dan eerst in alle vrijmoedigheid en vertrouwen onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd zei Jezus:
Waarop gelijkt het Koninkrijk Gods,
waarmee zal Ik het vergelijken?
Het gelijkt op een mosterdzaadje,
dat iemand in zijn tuin zaaide;
het groeide en werd een grote boom
en de vogels uit de lucht nestelden in zijn takken.
Jezus zei ook nog:
Waarmee zal Ik het Rijk Gods vergelijken?
Het gelijkt op gist
die een vrouw in drie maten bloem verwerkte
totdat deze in hun geheel gegist waren.
Homilie
In de eerste lezing hebben we gehoord, hoe Paulus aan de inwoners van Efeze zegt: "Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer." Zie je wel, de Kerk maakt de vrouw onderdanig. De vrouw moet zwijgen in de Kerk, daar voert de man het woord. Het door de cultuur bepaalde beeld van de onderdanige vrouw wordt door de Kerk met een religieus kleed toegedekt. Maar we moeten niet alleen kijken naar dat door de cultuur bepaalde beeld van de vrouw, dat Paulus aantrof in zijn tijd, maar we moeten ook zien hoe de Kerk daar mee omgaat. Het is waar: de oude Kerk, de Kerk van het Oude Testament, was een mannenkerk. De vrouw was goed voor het verwekken van kinderen, dat hebben we zo-even nog gezongen: "Uw vrouw is als een rijkbeladen, vruchtbare, wijnstok"; haar plaats was in het binnenvertrek. Tegenwoordig zouden wij zeggen: achter de aanrecht. De man daarentegen was voor de presentatie naar buiten, daar had hij de leidende positie. En deze situatie was voor de Kerk van het Nieuwe Testament het vertrekpunt; dat trof Paulus, maar ook de Kerk, aan, zoals de Kerk ook de slavernij in het Romeinse rijk aantrof. De Kerk heeft dit alles niet uitgevonden en de Kerk staat er ook niet voor op de bres, dat de mannen moeten heersen over hun vrouwen.
We moeten maar eens horen hoe de Kerk vindt dat de man het hoofd van de vrouw moet zijn, en hoe de vrouw hem in alles onderdanig moet zijn: "Mannen, hebt uw vrouw lief zoals Christus de Kerk heeft lief gehad: Hij heeft Zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen.
Zo moeten de mannen hun vrouwen lief hebben, zoals zij hun eigen lichaam liefhebben." Dat oude cultuurbeeld van de onderdanige vrouw wordt door de Kerk voorzien van een christelijke ziel, van een christelijk ferment. Jezus stopt er een nieuw gist, zuurdesem, in. Daardoor wordt op den duur de rol, de positie, van de vrouw anders. Niet alleen meer moeder van kinderen, maar haar hart lenend voor het Woord van God. Dat is de plaats van de vrouw geworden. Zij ontvangt het zaad van het woord van God, zoals Maria. Maria heeft de vrouwelijkheid van de vrouw opgestuwd tot haar hoogste mogelijkheden: ontvanger te worden van het Woord van God.
Na een tijdje is te zien dat de vrouwen de mannen daarin overtroeven. Ze waren al in de meerderheid onder het kruis en hier (in de priorij Nazaret) zijn er alleen maar vrouwen, - misschien op een enkele uitzondering na, bijvoorbeeld: de priester die voor u staat; - zij zijn in de absolute meerderheid. Kijkt u eens hoe sterk dat gist heeft gewerkt in de Kerk. En zou dat Woord van God niet hetzelfde kunnen doen in onze dagen? De Kerk in onze dagen is klein, gekleineerd door de media, kleiner in aantal, vergrijzend. 'De Kerk in onze dagen', heeft een enquête eens uitgemaakt, 'is bezig in ras tempo nog verder te seculariseren, te ontkerstenen. Was tot voor kort nog 50% van de bevolking lid van een kerkgenootschap, nu is dat niet meer dan 30%. En van dat kleine beetje gelovigen leest nog maar een kleine minderheid in de Bijbel. Wel zijn er meer Bijbels besteld, maar meer om het te gebruiken als naslagwerk of om het gewoon maar in huis te hebben. Zo klein is onze Kerk.'
Maar hoe klein ook, nooit zal de Kerk zo klein worden als onze Heer Jezus. Jezus heeft definitief beslag gelegd op de laatste plaats. Hij is de kleinste in het Rijk der hemelen. We hebben het onlangs nog gehoord in het evangelie: Hij wordt constant tegengesproken. De openbaring van de Vader in de hemel gaat ten onder in gekrakeel over wetten en regels. Wat een armzalige vertoning! Jezus is nog veel minder dan vóór Hij dat wonder gedaan heeft van de genezing van die kromgebogen vrouw. Hij doet een wonder, een teken uit de hemel, maar het maakt geen enkele indruk op de overste van de synagoge. Ze staan er bij en kijken er naar: is dat nu alles? Moet dat de komst van het Godsrijk inluiden? Maar Jezus heeft een groeikracht, waarmee Hij heel het deeg van de mensheid kan laten rijzen en kan laten uitgroeien tot de volle mannenmaat van de volwassen Christus, zoals Paulus eerder in dezelfde brief had geschilderd (Ef 4,13). Erger je maar niet aan de kleinheid Jezus. Neem geen aanstoot aan de geringheid van het begin. Kijk liever naar de natuur. Het mosterdzaadje, als een speldenknop zo klein, het kleinste van alle zaadjes, wordt een boom, en nog wel een grote boom, drie meter hoog. Dat zaadje is zo klein dat de vogels uit de lucht het laten liggen en het niet de moeite waard vinden om het op te pikken. Maar als het is uitgegroeid, is het zo groot, dat diezelfde vogels er hun nest in kunnen bouwen.
Het begin is klein, onooglijk klein, maar het einde is goddelijk groot. Het begin mag dan wel klein zijn, maar het is wél echt. Zo klein als het is, bevat het reeds het einde. De volle uitbloei is nog niet waarneembaar, het laat zich vermoeden, het laat zich raden, maar dat is nu juist de speciale charme ervan: de hoop op wat steeds weer komen gaat en nog niet te zien is. Het is te zien als achter een sluier, als een vage omtrek. Alleen het mosterdzaadje en het zuurdeeg is te zien. Kijkt u maar naar de doordeweekse monstrans die hier straks weer op het altaar wordt neergezet. Daar is alle grootheid voor zover het mogelijk was, uit weggehaald. Maar dat is tevens de bijzondere charme van deze monstrans, het laat zich raden. Het is een suggestie, het roept iets op van het begin dat het einde, de voltooiing, de schittering, van de zondagse en de feestelijke monstrans al in zich bevat.