Zaterdag in de dertigste week
       van het even jaar
             


Eerste lezing: Filippenzen 1,18b-26
Evangelie: Lucas 14,1.7-11



Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Jezus op een sabbat
het huis van een der voornaamste Farizeeën binnenging
om er de maaltijd te gebruiken
hielden zij Hem voortdurend in het oog.
Daar Hij opmerkte,
hoe de genodigden de voornaamste plaatsen
aan tafel uitzochten,
hield Hij hun de volgende gelijkenis voor:
“Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt genodigd,
ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats.
Het zou kunnen zijn,
dat er door uw gastheer iemand is uitgenodigd
die voornamer is dan gij
en dat degene die u en hem genodigd heeft u komt zeggen:
Sta uw plaats aan hem af.
Dan zoudt ge vol schaamte de minste plaats moeten innemen,
Maar wanneer ge ergens genodigd wordt,
ga dan op de minste plaats aanliggen.
Als degene die u heeft uitgenodigd dan komt,
zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op.
Zo zal u eer te beurt vallen
in het oog van allen die met u aanliggen.
Want al wie zichzelf verheft zal vernederd,
en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.”


Homilie  

“Ze hielden Hem voortdurend in het oog."
En dat is nu precies wat zij ook onder elkaar doen. De genodigden zochten de voornaamste plaatsen aan tafel uit en daarvoor moesten zij elkaar voortdurend in het oog houden, zo van: Kijk, daar komt iemand binnen die niet zo belangrijk is, dan wacht ik nog maar even tot er een voornamer iemand binnenkomt. Het was daar in de hal van dat huis van "een van de voornaamste Farizeeën" een gedrentel en een geschuif van jewelste. Je zag daar ineens iemand van zijn plaats weglopen om gauw weer naast een belangrijker persoon te gaan zitten. Dat is wat Jezus ziet gebeuren. Het ligt er ook zo dik bovenop wat ze doen: elkaar in de gaten houden. Maar zo dik als het er bovenop ligt, voor geen goud van de wereld zouden zij dat willen toegeven, of willen dat anderen het zien. Ze willen helemaal niet dat iemand dat aan het licht brengt, en dat is nu precies wat Jezus doet.

Waarom vindt Jezus het zo nodig die menselijke zwakheid aan de kaak te stellen? Het gaat Hem niet om die menselijke zwakheid op zichzelf, maar om de wijze van doen bij de mensen onderling, hetgeen Hij gebruikt als een opstapje naar hoe het gaat tussen God en de mensen. Hij laat hen dat zien aan de hand van een parabel. In de parabel gaat het altijd over de gang van zaken bij de mensen, bijvoorbeeld: hoe iemand zaait, een rentmeester die verantwoording moet afleggen, knechten die wachten op de terugkomst van hun heer die naar de bruiloft is, enzovoort. Van daaruit laat Hij zien, hoe het er aan toe gaat in het Rijk der hemelen. Zo is dat hier ook het geval. Uitdrukkelijk wordt hier gezegd dat Jezus uitgenodigd wordt voor een maaltijd. Maar in de parabel heeft Hij het ineens over: "Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt uitgenodigd." Uitgenodigd op een bruiloft, waar dan natuurlijk ook een bruiloftsmaal wordt gegeven. En dat is nu precies wat God doet: een bruiloftsmaal houden voor zijn genodigden, voor de gelovigen, die Jezus vieren als de Bruidegom die Zich met hen, de bruid, de Kerk, voor altijd verenigt.

"Wanneer gij door iemand op de bruiloft wordt uitgenodigd." Die bruiloft is voor ons al begonnen, want we hebben in ons heilig doopsel het bruiloftskleed reeds aangereikt gekregen. Ook het laatste waarmee Jezus zijn parabel besluit, wijst in dezelfde richting: "Al wie zichzelf verheft zal vernederd, en wie zichzelf vernedert zal verheven worden." En dan heeft Hij het niet over de eer van de mensen, maar over de eer van God. Vernederd en verheven worden door God. Dat was dé manier om op een duidelijke wijze aan te geven, dat God hier in het geding is. Zonder die naam uit te spreken, duidt het toch de werkzaamheid van God aan. Het is een goddelijke werkzaamheid. God, van wie Maria in het Magnificat zegt, "dat Hij de geringen verheft” (Lc 1,52). God zelf is de Gastheer die zal zeggen: “Vriend, ga wat hoger op.” Ook de apostelen weten te vertellen dat Hij zo handelt. Paulus zegt van God, “dat Hij de geringen troost” (2 Kor 7,6). En zo-even hoorde u in de eerste lezing Paulus nog zeggen: “Voor mij toch is het leven Christus en het sterven winst." Het vernederd worden in de doop is voor hem: verheven worden, winst.

Maar hoe is dat nu in de situatie waarin u leeft, de situatie waarin u altijd en overal en door iedereen gezien wordt, in de gaten gehouden wordt? Daar heeft de heilige Theresia van Lisieux haar eigen kleine licht op laten schijnen. Ze ging zich toeleggen op de innerlijke versterving, op de versterving van de zelfzucht. Ze probeerde in niets haar eigen wil te doen, en tegen haar eigen 'ik'-zucht in te gaan. Er was niemand die dat zag, niemand die het in de gaten had, maar voor God, bemerkte zij, was dat een groot genoegen. De weerklank, de weerglans, van die goddelijke verheffing merkte zij in de vreugde van haar hart, elke keer als zij zichzelf op die manier verstierf, als zij zich opnieuw boven haar natuur verhief. Dat gaf een speciaal soort vreugde, een vreugde die met geen ander soort vreugde te vergelijken was.

Dat is wat in de viering van de eucharistie ook nagestreefd mag worden. U weet wel dat het laatste in het lijden van Jezus de lanssteek is geweest, de lansstoot waardoor zijn Hart werd doorboord. Dat gebeurde ná zijn sterven, maar het was het beeld van wat Jezus in zijn hele leven heeft gedaan: innerlijke versterving, geestelijk lijden, het lijden van zijn hart. Eucharistie vieren is dan ook meegaan met Jezus' lichamelijk lijden, maar bóvenal met zijn geestelijk lijden.