Donderdag in de dertigste week
       van het oneven jaar
Eerste lezing: Romeinen 8,31b-39
Evangelie: Lucas 13,31-35


Inleiding    

'Cibavit et saturavit!' 'Gevoed en verzadigd', en wel met het allerfijnste, de bloem van de tarwe. God is als een moeder, die zorgt voor haar kleinen met het beste wat ze in huis heeft.
Vandaag is er een ander beeld. Moeder voedt niet alleen, maar in het voeden geeft ze geborgenheid, zoals een kloek haar kuikens verzamelt, bijeenbrengt onder haar vleugels. De warme, geborgenheid schenkende liefde van God, dat is wat God door alles heen zijn volk geeft. In alle omstandigheden van het leven is Hij met zijn liefdevolle zorg bij ons en dat drukt Hij uit in de eucharistie: Hij geeft zijn Lichaam en zijn Bloed. Dat wil zeggen: zijn liefde tot het laatste, tot het uiterste. Hij heeft er zijn leven voor over. Dat wij ons niet tot het laatste aan zijn liefde, aan zijn zorg, toevertrouwen, dat is eigenlijk onze zonde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd kwamen enige Farizeeën Jezus zeggen:
“Vlucht, ga hier vandaan,
want Herodes wil U vermoorden.”
Hij sprak tot hen:
“Gaat aan die vos zeggen:
Zie, Ik drijf duivels uit
en Ik bewerk genezingen vandaag en morgen;
en op de derde dag komt voor Mij de voltooiing.
Maar vandaag, morgen en overmorgen moet Ik voorttrekken,
want het past niet dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt.  
Jeruzalem, Jeruzalem,
dat de profeten doodt en stenigt die tot u zijn gezonden!
Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen,
zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels,
maar gij hebt niet gewild.
Zie, uw huis zal onbewoond achtergelaten worden.
Ik zeg u: gij zult Mij niet meer zien
totdat de tijd komt waarop gij zult zeggen:
gezegend de Komende in de naam des Heren.”

Homilie    

Al een aantal dagen volgen wij in de eerste lezing Paulus' tocht door de heilsgeschiedenis. Tijdens zijn gang door die geschiedenis hebben wij soms ons hart vastgehouden. Paulus kon de verwording van de mens, zelfs van de verloste mens, met zulke schrille kleuren uittekenen, dat er voor ons geen ontkomen meer aan scheen te zijn. "Ik ontdek in mij deze 'wet': als ik het goede wil doen, dringt het kwade zich aan mij op. Mijn innerlijk schept behagen in Gods wet, maar in mijn handelen ontwaar ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn rede en mij gevankelijk uitlevert aan de heerschappij van de zonde over mijn daden. Rampzalige mens die ik ben. Wie zal mij redden van dit bestaan ten dode?” (Rom 7,21-24) In de macht van de zonde!? Is er in zulk een overmacht geen uitweg meer? Ja, toch wel, zegt sint Paulus: “God zij gedankt door Jezus Christus, onze Heer!” … “Voor hen die in Christus Jezus zijn, bestaat er thans geen vonnis meer. De 'wet' van de geest die in Christus Jezus het leven schenkt, heeft u vrijgemaakt van de heerschappij van de zonde en van de dood" (Rom 7,25; 8,1-2).

Vandaag beschrijft Paulus die overwinning, de glorieuze ontknoping van die moeilijke tocht. "Indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? … Ik ben ervan overtuigd, dat de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is of wat zijn zal, en geen macht in de hoogte of in de diepte, ja, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer." Hij schetst hier de situatie van iemand die alles doorgemaakt heeft. Dat is eigen aan het leven van de kinderen van God. Trouwens dat woord alleen al, 'kind van God', zegt eigenlijk al alles.

Moeder Mechtildis schreef eens aan de bisschop van Kamerijk (1651-1751), monseigneur Fénelone: 'Ik ervaar zo'n onmiddellijke en soepele bereidheid in mij om op al Gods bedoelingen in te gaan en de meest vernietigende gesteldheden te aanvaarden zodat ik, zodra Hij me daarin terecht laat komen, dat kostbare geschenk kus en liefkoos. En wat betreft de tijdelijke aangelegenheden die ons ogenschijnlijk tegen de grond slaan: mijn hart loopt over van dankzegging en is blij vernield en verpletterd te worden onder al die geheimzinnige gebeurtenissen. Als God maar verheerlijkt wordt en als het maar door zijn voorbeschikking is, dat ik gewond word.' Ze schreef dit aan het einde van haar leven (1684) en werd na haar overlijden door de bisschop geciteerd.

Zo zien we Jezus ook in het evangelie van vandaag. Hij heeft alles al doorgemaakt. Hij is er helemaal vrij voor, evenals Paulus en moeder Mechtildis. "Vandaag, morgen en overmorgen moet Ik voorttrekken, want het past niet, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt die tot u gezonden zijn." Jezus weet wat Hem te wachten staat, maar Hij is ertoe bereid, Hij 'moet' dat doorstaan. In zijn diepste innerlijk wordt Hij gedreven door de wil om zijn volk barmhartig tegemoet te treden, tot het laatste, tot het laatste wat ze Hem zullen aandoen. Ook daarop reageert Hij nog met barmhartigheid.

U zult misschien zeggen: 'maar wij hebben geen vijanden. Met ons loopt het toch zo'n vaart niet. We leven hier rustig en veilig bij elkaar.' Maar ook in het klooster, ook in de gewone menselijke milieus, kunnen mensen elkaar onder druk zetten en opjagen, zoals ze Jezus hebben opgejaagd. Met je werk in het klooster, je ambt, je officie kun je geen cent verdienen, maar in de wereld gaat het ook niet altijd om het geld, maar meer om de eer, om wat je met je geld kunt doen: anderen de ogen uitsteken, de anderen naar je laten opkijken. En dat geldt evengoed voor het klooster. Het werk, het belangrijke werk, de belangrijke functie, het officie (je hebt belangrijke en onbelangrijke) kun je uitoefenen om daarmee complimenten te krijgen. Of dat ze naar je opkijken, je aandacht geven. Je kunt dan inderdaad het gevoel krijgen dat het je dood wordt als ze dat niet doen, als je een ander tegenvalt, als een ander je misprijst, want je hangt met heel je hebben en houden van die ander af, die kom je steeds tegen.

Om die ander te behagen zou je wel de onmogelijkste capriolen willen uithalen. En als dat niet lukt, heb je gewoon het gevoel dat je nergens meer bent. Mensen kunnen je het gevoel geven dat je niks bent, vernikst, als dood. Nou en? Wat dan nog? Word je daar niet toe geroepen?
Wat een rust daalt er over iemand neer die zich vrijwillig laat slachtofferen. Zo staan we allemaal voor de opgave ons niet onder druk te laten zetten, ook al kost het ons ons leven, ook al vallen we tegen in de ogen van de ander. We moeten ons laten verzamelen door Jezus, die als een kloek zijn kuikens verzamelt. Ingetogen leven, ons hart tot vrede stemmen, ingekeerd bij Hem zijn, die niets anders wil dan dat wij bij Hem zijn.