Vrijdag in de dertigste week
     van het oneven jaar
Eerste lezing: Romeinen 9,1-5  
Evangelie: Lucas 14,1-6


Inleiding  

Wat een rijkdom aan ervaringen van onze God ligt er in het boek der Psalmen opgeslagen en in heel de Heilige Schrift, mensen aan wie God is overkomen, en dat niet één keer, maar vele malen. Die ervaring hebben ze uitgedrukt in een gedicht, een psalm, wat weer is opgevangen door een liturgie vierende gemeenschap, die ze op haar beurt heeft uitgezuiverd tot er een verwoording overgebleven is waarin iedereen zich tot op de dag van vandaag kan herkennen: God, die een innige kracht is in ons hart en van wie wij alles blijven verwachten. Dat geeft een stille zekerheid, waardoor wij als het ware ankers hebben in de golven en stormen van onze tijd, tot in de eeuwigheid.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Jezus op een sabbat
het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging
om er de maaltijd te gebruiken,
hielden zij Hem voortdurend in het oog.
Op een gegeven ogenblik werd Hij een man gewaar
die aan waterzucht leed.
Daarop richtte Jezus Zich tot de wetgeleerden en Farizeeën
met de vraag:
“Mag men op sabbat iemand genezen of niet?”
Maar zij zeiden niets.
Daarop legde Hij zijn hand op hem;
Hij genas hem en liet hem heengaan.
Vervolgens keerde Hij Zich tot hen met de woorden:
“Wie van u zal niet terstond als zijn zoon of zijn os in een put valt,
hem eruit trekken, ook al is het sabbat?
Ze waren niet in staat er iets tegen in te brengen.

Homilie  

“Toen Jezus op een sabbat het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging om er de maaltijd te gebruiken ..."
Na die maaltijd vindt dat onderricht plaats dat wij in het evangelie hebben gehoord. Ook wij vieren hier een maaltijd en ook u krijgt bij deze maaltijd een onderricht. Hoe dikwijls gebeurt het niet dat wij bij de maaltijd met elkaar aan tafel zitten en elkaar aanzien, elkaar opnemen, elkaar aankijken, wat wij ook in dit evangelie zien gebeuren. Wij beschouwen elkaar en dat doen de Farizeeën ook met Jezus in de situatie met deze man die aan waterzucht leed. Maar je hebt blijkbaar kijken en kijken. Kijken zoals de Farizeeën kijken. Ze hielden Hem voortdurend in het oog om Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Want de laatste woorden van dit evangelie zijn: "Ze waren niet in staat er iets tegen in te brengen." Daar waren ze kennelijk op uit. Dat is kijken om te veroordelen.
En je hebt kijken zoals Jezus kijkt. Kijken om te redden. Het zwakke zien om het te verbeteren, wij noemen dat opbouwende kritiek, positieve kritiek, tegenover negatieve, afbrekende kritiek; of vanuit de functie waarmee een en ander gebeurt: kijken met het verstand, en kijken met het hart, met het inlevende gevoel. We kunnen dit illustreren aan de hand van enkele voorbeelden. De een zegt: dat glas is half leeg. Die ziet dus wat er aan ontbreekt. En de ander zegt: dat glas is half vol. Die ziet dus wat er goed aan is. De een ziet wat er aan mankeert en de ander ziet wat er goed aan is. Iemand zegt: Ze is maar met de helft van haar werk klaar gekomen, en de ander zegt: Ofschoon ze de hele dag migraine had, heeft ze toch nog de helft van haar werk afgekregen. Dat zijn twee manieren van kijken: alleen de buitenkant zien, of de buitenkant zien vanuit de binnenkant.

Jezus is dus de man van de binnenkant. Hij ziet de buitenkant van binnenuit. Hij is de man van het Hart, van binnenuit naar buiten. Zo benadert Hij de Farizeeën en zo leert Hij ook de Farizeeën zíjn gedrag te benaderen. "Wie van u zal niet terstond als zijn zoon of zijn os in een put valt, hem eruit trekken, ook al is het sabbat?" Hij bedoelt daarmee te zeggen: Een zoon of os, ze zijn van jullie, dat zijn jullie huisgenoten, dat zijn jullie huisdieren. Beoordeel het gedrag van mensen niet als waren ze buitenstaanders, maar als waren ze jullie eigen huisgenoten. Beoordeel de mensen niet alsof je niets met ze te maken hebt, maar als mensen die je ter harte gaan, zoals je eigen kinderen, zoals je eigen huisdieren. Zou het gaan om jullie eigen huisgenoten, dan zouden jullie heus wel een andere toon aanslaan, dan zou je heel anders kijken, dan zou je niet zo kritisch kijken.

De onderliggende waarheid is dat voor Jezus niemand een buitenstaander is. Wij zijn allemaal kinderen van zijn Vader, wij maken deel uit van één en hetzelfde gezin. Hij is de Zoon van de Vader en wij zijn de kinderen van de Vader en daardoor zijn wij zijn broers en zussen. Hij voelt de liefde van zijn Vader voor ons en ook voor die man die aan waterzucht leed. Die kan Hij toch niet laten vallen, die kan Hij toch niet in de steek laten, ook al is het sabbat. Hij zal hem genezen.
Eigenlijk schrijft Jezus dat positieve denken ook toe aan die Farizeeën als Hij zegt: "Wie van jullie zal niet terstond als zijn zoon of zijn os in een put valt, hem eruit trekken, ook al is het sabbat?" Hij zegt eigenlijk: Dat goede, doen jullie toch zelf ook! Hij beschuldigt ze dus nergens van, want het is juist iets goeds wat ze doen. Dus Jezus gebruikt, praktiseert het positieve ook ten aanzien van zijn negatief denkende tegenstanders. 'Jullie zijn toch ook goed voor je huisgenoten, voor je huisdieren. Jullie beoefenen toch het goede. Laat Mij dat dan ook doen, laat God dat dan ook doen.'

Jezus ziet ons zoals zijn Vader ons ziet: altijd met een medelijdend hart. Niet met zomaar een hart, maar met een medelijdend hart. Hij ziet het kwaad, maar Hij doet het goede. Als het goed is, zijn wij ons van veel kwaad bewust, maar sterker dan óns kwaad, is zíjn medelijdende liefde.