31 december
Eerste lezing: 1 Johannes 2,18-21
Evangelie: Johannes 1,1-18
Inleiding
De laatste dag van het jaar. De tijd loopt als zand door onze vingers. Maar we leven niet uitsluitend in de tijd. In de tijd leven wij in de eeuwigheid. 'Herders gaat, gij moet Hem zoeken in de kribbe, in de stal, want daar ligt Hij in doeken, die uw Redder wezen zal.' Hij heeft ons gezocht, Hij heeft ons gevraagd en sindsdien leven wij binnen de tijd in de eeuwigheid. Altijd de laatste dag, altijd het laatste uur, altijd het laatste moment. We leven in het nu-moment van Gods genade. Dat wij te midden van zulk een liefdesaanbod vasthouden aan ons eigen ik, aan de oude mens, dat is onze zonde.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In het begin was het Woord
en het Woord was bij God
en het Woord was God.
Dit was in het begin bij God.
Alles is door Hem geworden
en zonder Hem is niets geworden
van wat geworden is.
In Hem was leven en dat leven was het licht der mensen.
En het licht schijnt in de duisternis,
maar de duisternis nam het niet aan.
Er trad een mens op, een gezondene van God;
zijn naam was Johannes.
Deze kwam tot getuigenis,
om te getuigen van het Licht,
opdat allen door hem tot geloof zouden komen.
Niet hij was het Licht,
maar hij moest getuigen van het Licht.
Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.
Hij was in de wereld;
de wereld was door Hem geworden,
en toch erkende de wereld Hem niet.
Hij kwam in het zijne,
maar de zijnen aanvaardden Hem niet.
Aan allen echter die Hem wel aanvaardden,
aan hen die in zijn Naam geloven,
gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden.
Zij zijn niet uit bloed, noch uit de begeerte van het vlees of de wil van een man,
maar uit God geboren.
Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.
Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd,
zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt,
vol genade en waarheid.
Wij hebben Johannes' getuigenis over Hem toen hij uitriep:
Deze was het van wie ik zei: Hij die achter mij komt, is vóór mij,
want Hij was eerder dan ik.
Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen; genade op genade.
Werd de Wet door Mozes gegeven,
de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus.
Niemand heeft ooit God gezien;
de Eniggeboren God, die in de schoot des Vaders is,
Hij heeft Hem doen kennen.
Homilie
Wat stelt Johannes het toch allemaal weer zwart-wit. Leugen en waarheid, licht en duisternis, aanvaarden, niet aanvaarden, bij Hem horen, niet bij Hem horen. En dan die merkwaardige bevestiging: "Kinderen, het is het laatste uur." Nu kan dat, evenals al die andere uitspraken, van elk uur gezegd worden. Tenminste bij ons christenen. Want hoewel sint Jan dat tweeduizend jaar geleden al zei, het einde van de mensengeschiedenis, het einde van de tijd, is nog steeds niet aangebroken. Dan is elk uur het laatste uur. Dat betekent voor ons, christenen, dat het leven niet zomaar doorgaat in een puur getalsmatige voortschrijding, een reeks van jaartallen, 2009, 2010, 2011.
Nee, de volheid van de tijd is al aangebroken. Daardoor wordt elk ogenblik het laatste, in de zin van beslissend, beslissend voor het eeuwig heil, dat al gekomen is. Dat is zíjn voorkeur, zíjn voorkeuze. We zitten niet meer in de wachtkamer. We kunnen nu al "vrijmoedig naderen tot de troon van de genade" (He 4,16). We zijn niet meer als dat meisje in de danszaal, dat maar moet afwachten of ze ten dans gevraagd wordt. We zijn niet meer als de gevangene die maar moet afwachten of hij amnestie krijgt. We zijn niet meer als het kind dat moet wachten op de omhelzing van zijn moeder. Of als dat meisje dat met vreselijke pijn in haar bedje ligt, vergeefs wachtend tot er eindelijk iemand naar haar omkijkt. Nee, Hij heeft ons gevraagd. Hij heeft zijn keus op ons laten vallen, zijn voorkeur te kennen gegeven. God heeft ons zijn geheim raadsbesluit doen kennen, de beslissing die Hij in Christus had genomen ter verwezenlijking van de volheid der tijden. "Want, zegt sint Paulus, door de wet ben ik gestorven voor de wet (Gal 2,19). Voor de wet is mijn laatste uur als oude mens al aangebroken, om het nieuwe leven te leven voor God. Met Christus ben ik gekruisigd. Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij. Voor zover ik nu leef in het vlees - in de oude tijd - leef ik in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zichzelf heeft overgeleverd voor mij" (Gal 2,19.20).
Het gaat om een nieuw soort leven binnen de oude tijd. En in dat nieuwe leven gaat het om: of - of. Er wordt steeds een bekering gevraagd. Precies datgene waartoe u een gelofte hebt afgelegd, de gelofte namelijk tot bekering van de zeden. Hij keert Zich naar u en u wordt uitgenodigd, u verplicht zich ertoe, om u steeds in iedere situatie te bekeren tot Hem. Er is geen sprake meer van ontwikkelingen, van overgangen en tussenfasen, van langzaam groeien, want de wording van de bekering, voor zover dat een wording is, heeft haar model in de bijbelse scheppingsgeschiedenis. God zei: "Er moet licht zijn! En er was licht (Gn 1,3). Dezelfde God die gezegd heeft: Licht moet schijnen uit het duister
is als een licht in onze harten opgegaan, om de kennis te doen stralen van de heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Christus" (2 Kor 4,6).
Ineens is het er. Steeds weer. Als er al van groei sprake is, dan is dat omdat wij in steeds meer momenten en situaties het laatste uur beleven: zijn voorkeur voor ons, dat wij steeds meer leven in het nu-moment van zijn genade, van zijn voorkeur, van zijn keuze voor ons, die ook steeds nieuw is. Dat is voor ons een aanleiding om beter te beseffen dat die overgang van oud naar nieuw al gemaakt is, en dat wij sindsdien elk moment leven in de nieuwheid van het nieuwe leven. We zijn nu al een nieuwe schepping, en die nieuwe schepping wordt gevoed met het nieuwe brood dat Jezus is.