Dinsdag in de eenendertigste week
             van het even jaar
               Heilige Carolus Borromeüs, bisschop


Eerste lezing: Filippenzen 2,5-11 [III 363];
Evangelie: Lucas 14,15-24 [II/III 364]


Inleiding  

'Priester zijn de eeuwen door', dat wordt gezegd van Jezus, die priester is naar de orde van Melchisedek, zonder oorsprong en zonder einde. Maar dat wordt vandaag in herinnering gebracht bij de viering van de gedachtenis van de heilige Carolus Borromeüs.
Er zijn heel wat congregaties die deze heilige als patroon en inspiratiebron hebben. Hij leefde in de zestiende eeuw, was een voorbeeld van een Tridentijnse bisschop en werd een groot kerkhistoricus-pastoor. Velen van u weten misschien wel wat het is te leven in een huis dat verbouwd wordt. Je bent helemaal uit je doen. De dingen staan niet op hun plaats, je voelt je niet geborgen in je eigen huis. Nu, de Kerk in de dagen van Carolus Borromeüs was in ombouw. De Kerk die er was, de oude Kerk die verbouwd moest worden, was de Kerk van vóór de Reformatie. Nu de reformatie een eigen huis betrokken had, een hervorming had doorgevoerd buiten de Kerk, stond de katholieke Kerk voor de opgave de vernieuwing door te voeren binnen de Kerk, dat was het doel van het Concilie van Trente.  
De besluiten van het Concilie van Trente moesten door mensen worden doorgevoerd. De geest van Trente moest in mensen worden belichaamd, en Carolus Borromeüs wás de belichaming van dat Concilie. Hij heeft zich letterlijk doodgewerkt. Hij bezocht in zijn twintigjarig bestuur van het bisdom Milaan tweehonderd tot driehonderd kleine en grotere plaatsen, zelfs tot in de verafgelegen dalen van de Alpen. Hij liet driehonderd folianten met correspondentie na. Hij stichtte colleges, scholen voor christelijke lering, voor catechismusonderricht, synodes en hij richtte seminaries op. Toen hij dood ging, zei paus Gregorius XIII: 'Een licht in Israël is gedoofd.'
Dat dat licht naderhand weer is opgestaan en opgegaan en vele mensen heeft verlicht, dat is waarmee we begonnen: het priesterschap van Christus, de eeuwen door.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei een der tafelgenoten tot Jezus:
“Gelukkig al wie zijn maaltijd zal houden in het Rijk Gods.”
Hij antwoordde hem:
“Zeker iemand gaf een groot maal en nodigde veel gasten.
Op het uur van de maaltijd zond hij zijn dienaar
om aan de genodigden te zeggen: Komt, alles is gereed.
Maar zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen.
De eerste liet hem zeggen:
Ik heb een akker gekocht
en moet die noodzakelijk gaan bekijken;
ik verzoek u mij wel te willen verontschuldigen.
Een tweede zei:
Ik heb vijf span ossen gekocht en moet ze gaan proberen;
ik verzoek u mij wel te willen verontschuldigen.
Weer een ander:
Ik ben zo pas getrouwd; daarom kan ik niet komen.
Bij zijn thuiskomst
bracht de dienaar dat alles aan zijn meester over.
Nu ontstak de heer des huizes in toorn en beval aan zijn dienaar:
Haast je naar de straten en stegen van de stad
en breng de armen, gebrekkigen,
blinden en kreupelen hier binnen.
Toen de dienaar hem zei:
Heer, wat gij bevolen hebt is gebeurd en nog is er plaats,
droeg de heer zijn dienaar op:
Ga naar de wegen en de binnenpaden
en nodigt de mensen dringend uit binnen te komen,
want mijn huis moet vol worden.
Ik zeg u:
Geen enkele van de mannen die het eerst genodigd waren,
zal van mijn feestmaal proeven.”

Homilie
 

We zitten nog steeds aan tafel. De eerste keer merkte Jezus bij het binnenkomen op hoe de gasten, de genodigden, de voornaamste plaatsen aan tafel uitzochten. Zijn reactie was toen: "Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt uitgenodigd, ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats" (Lc 14,8). Jezus neemt het gezelschap dat aan tafel zit in ogenschouw, één ding valt Hem op, één ding hebben ze allemaal: ze behoren allemaal tot één groep, tot de groep van de gastheer. Het zijn allemaal mensen van wie de gastheer verwachtte, dat zij een soortgelijke uitnodiging ook tot hem zouden richten.

Jezus ziet ook nog iets anders. Hij ziet tegelijkertijd wie er allemaal buiten vallen; wie niet aan tafel aanliggen, wie worden buitengesloten. Ze horen niet bij de eigen groep. Daarom zegt Hij: "Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit, en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn dat zij op hun beurt u uitnodigen en dat gij het dus terugkrijgt. Maar als gij een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit" (Lc 14,12-14).

Pijnlijke stilte! Moet je je voorstellen dat je een gast hebt die zo'n opmerking maakt! Er valt een pijnlijke stilte. Er zijn twee manieren om die stilte te doorbreken. Iemand maakt een grapje, zo van: de soep wordt niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Ofwel iemand maakt een vrome opmerking, en in dat deftige, vrome gezelschap waarvan Jezus deel uitmaakt, komt er natuurlijk iemand met zo'n vrome opmerking. Een van Jezus' tafelgenoten zegt: "Gelukkig al wie zijn maaltijd zal houden in het Rijk Gods." Weg wil hij van de concrete situatie van hier en nu, waar zojuist zo'n pijnlijke stilte is gevallen. Hij ziet zichzelf, zijn medegasten en de gastheer al helemaal zitten in het Rijk Gods. Op dat moment is hij tevreden over zichzelf en vindt dat ook God wel blij mag zijn met zulke gasten als zij zijn.

Jezus laat het even stil worden, dan antwoordt Hij die man en wat Hij zegt komt hierop neer: dat weet Ik zo net nog niet. Als Ik de gasten hier zo bekijk, horen zij typisch tot dát soort mensen die, als het zover is, wanneer ze een persoonlijke uitnodiging krijgen, en nog wel een uitnodiging van God, belangrijker zaken aan hun hoofd hebben. Het is het soort mensen dat niet ingaat op de uitnodiging van iemand die niet van deze wereld is, die zij niet kunnen inpassen in hun eigen belangen, zaken en rechten, iemand door wie ze uit hun eigen middelpunt worden weggehaald. Dat is nu juist eigen aan een uitnodiging door de Persoon die God is. Als God met zijn uitnodiging bij hen zal komen, zullen de mensen die hier aan tafel zitten, zeggen: Ik heb iets anders te doen; de zaken gaan voor. "Ik heb een akker gekocht en die moet ik noodzakelijk gaan bekijken." Hoort u: noodzakelijk. Uit de nood van de zaak. De zaken bepalen zijn doen en laten, bepalen zijn leven. De zaken gaan voor het meisje. De zaken gaan voor God.

Zoals het hier, in het evangelie, aan tafel ging, zo gaat het natuurlijk altijd. Maar het is de bedoeling dat je niet je eigen belangen laat voorgaan, maar die van je medemensen buiten je eigen kring, de mensen van de derde wereld, de gastarbeiders, de minder geslaagde types in je eigen omgeving. Juist daarin wil God Zich laten ontmoeten. Niet in dat wat je zelf wil, maar in dat wat Hij wil. Je moet weg uit jezelf, zoals je vanzelf doet wanneer je een ontmoeting hebt met een sympathiek iemand. Dan kun je ook alles loslaten, dan vergeet je ook al je zaken.

God die liefde is, heeft omwille van jou alles eraan gegeven, zijn Majesteit, Hij is aan de mensen gelijk geworden, en heeft onder de mensen álles losgelaten, tot zijn eer toe. Hij wil je hier en nu ontmoeten als in een beeld, in een sacrament van wat Hij de hele dag in allerlei kleine, schijnbaar toevallige, heel concrete, normale omstandigheden wil.