Alle HH. Verkondigers van het geloof in onze streken
Eerste lezing: Filippenzen 3,3-8a [III 367];
Evangelie: Lucas 15,1-10 [III 368]
Inleiding
'Venite adoremus Deum.' 'Laten wij de Heer onze God aanbidden en voor zijn Aanschijn neervallen.' Laten wij ook wenen voor Hem, want Hij heeft ons gemaakt en wij zijn van Hem afgevallen. Hij is onze God, en Hij blijft onze God, maar wíj hebben ons van Hem, de Bron van ons leven, losgerukt. En terwijl wij verloren lopen, - vandaag horen wij in het evangelie de parabel van het verloren schaap - blijft Hij onze Herder en is Hij met ons begaan. Hij lijdt eraan. Wij lijden, wij hebben verdriet dat wij verloren lopen, maar Hij heeft ook verdriet dat wij van Hem zijn afgevallen. Dat laten wij nu nog eens tot ons doordringen, wanneer wij ons onze verlorenheid te binnen brengen: dat Hij met ons begaan is, medelijden met ons heeft, en ons zijn barmhartige liefde wil schenken.
Belijden wij onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd kwamen tollenaars en zondaars
van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
Die Man ontvangt zondaars en eet met hen.
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft
en er één van verliest,
laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter
om op zoek te gaan naar het verlorene,
totdat hij het vindt?
En als hij het vindt, legt hij het vol vreugde op zijn schouders
en hij gaat naar huis, roept zijn vrienden en buren bij elkaar
en zegt hen:
Deelt in mijn vreugde,
want mijn schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden.
Ik zeg u:
zo zal er in de hemel meer vreugde
zijn over één zondaar die zich bekeert,
dan over negenennegentig rechtvaardigen
die geen bekering nodig hebben.
Of welke vrouw die tien drachmen bezit en één drachme verliest,
steekt niet de lamp aan,
veegt het huis en zoekt zorgvuldig totdat zij die vindt?
En als ze die gevonden heeft
roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt:
Deelt in mijn vreugde,
want de drachme die ik had verloren heb ik gevonden.
Zo zeg Ik u, is er vreugde bij de engelen van God
over één zondaar die zich bekeert.
Homilie
In die tijd kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus om naar Hem te luisteren. De Farizeeën en schriftgeleerden morden daarover en zeiden: Die Man ontvangt zondaars en eet met hen." Waar geen rechtgeaarde gelovige mee zou omgaan, en volgens de Wet zelfs niet mee mág omgaan, daar gaat Jezus wel mee om. Hij eet en drinkt zelfs met hen. Hij laat Zich met hen in, en daarvoor, om dat gedrag te wettigen, begrijpelijk te maken, vertelde Jezus hun die gelijkenis over het verloren schaap.
Een herder ontdekt op zekere dag dat er een schaap aan zijn kudde ontbreekt. Hij gaat het meteen achterna om het te zoeken en zoekt net zo lang tot hij het gevonden heeft. Als hij het dan eindelijk gevonden heeft, treft hij het beest zo aan: door zijn poten gezakt, hulpeloos, het is 'steeds' geworden, zeggen de mensen in Drente, op de plek zelf neergevallen en niet in staat op te staan. Het ligt daar hulpeloos, ten prooi gevallen aan wolven of vossen, helemaal alleen. Iets om van te huiveren! Je moet er gewoon niet aan denken wat er dan kan gebeuren. Die kudde schapen staat voor de mensheid, en daar is een mens niet op gemaakt, de mens hoort ergens bij. De mens hoort tot een kudde, is ergens een kuddedier, en als je nu vastgelopen bent met jezelf of met anderen, dan geeft dat een gevoel van verlorenheid, van eenzaamheid. Het gevoel van niet meer de moeite waard zijn, van het helemaal alleen moeten doen en het niet kunnen. Ik heb niemand dan mijzelf alleen.
Wat doet Jezus daar nu aan? Wat doet God daar aan? Jezus leidt de aandacht van de luisteraar af van Zichzelf en Hij laat weten: Voel je je verloren? Ben je teleurgesteld in jezelf? Loop je verloren rond en je weet niet waar je het moet zoeken? Kijk dan eens naar de verliezer, en dat is die herder en Herder Jezus. Jezus ontkent onze gevoelens niet, maar Hij wil de mens uittillen boven zijn trieste gevoelens, boven zijn gevoelens van zelfmedelijden, van verstrikt geraakt zijn in zichzelf. Weet je wie de echte verliezer is? Degene die jou verloren heeft!
Het verloren schaap, de verloren drachme, de verloren zoon zijn verloren en ze zijn ook weer teruggevonden. Wat een opluchting voor die verloren schapen, voor die verloren zoon. Maar dan zijn we weer bezig met de mensen, met de dingen, weer met dat 'ik'. En staat in deze gelijkenissen ook niet veel meer centraal wat verloren geraakt is en niet degene die verloren heeft? De zoekende herder, de afwachtende vader, de zoekende vrouw, en hun vreugde bij het terugvinden. "Vol vreugde legt hij het verloren schaap op zijn schouders en gaat naar huis, roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hen: Deelt in mijn vreugde, want het schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden. En ook de vader van de verloren zoon zegt: Er moet feest en vrolijkheid zijn, deze zoon van mij was dood en is levend geworden. Hij was verloren en is teruggevonden. Laten wij eten en feest vieren" (Lc 15,32.23).
Aan die vreugde wil de Vader, de Herder, allen laten deelnemen. Echter, aan die uitingen van vreugde gaan gevoelens van droefheid, verdriet en pijn, hartenpijn, vooraf. Er wordt veel verzwegen, het leed wordt eigenlijk alleen maar te veronderstellen aangegeven. Maar één keer wordt dat bij het terugvinden tot uiting gebracht en dat is bij de vader van de verloren zoon: "Hij werd door medelijden bewogen" (Lc 15,20). Daaraan kun je raden wat er aan de vreugde van het terugvinden is voorafgegaan: pijn, lijden en medelijden.
De Kerk leert ons onze aandacht daarop te richten, door elke keer weer om dat medelijden te vragen: 'Heer, heb medelijden,' 'Kyrie, eleison', 'Heer, ontferm U over ons.' Want dát is wat ons méér dan onze eigen inspanningen kan afhouden van de zonde. Te weten dat we er de Vader verdriet mee doen. De Vader ziet het niet graag, Hij lijdt eraan. Dat is de betekenis van Jezus' lijden. Vlak voor zijn lijden heeft Hij het éénmaal uitgeschreeuwd. Dat was bij het zien van Jeruzalem. Hij barstte uit in een rouwklacht; Hij gilde het uit: "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt die tot u zijn gezonden! Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar gij hebt niet gewild" (Mt 23,37 vgl. Lc 13,34).
Aan die onmacht heeft Jezus geleden. Er is Iemand die hartzeer heeft aan hoe de mensheid leeft. Vandaag, op donderdag, vieren wij dan ook eigenlijk niet óns eerherstel, maar zíjn eerherstel, zíjn verdriet. Een verdriet zo erg, dat Hij er aan sterft: "Ik ben bedroefd tot stervens toe" (Mt 26,38 vgl. Mc 14,34). 'Dit is mijn Lichaam voor u.' Alles heeft Jezus er voor gelaten, zoals Paulus er alles voor gelaten heeft, alles waarop hij zou kunnen steunen. Hij heeft zichzelf niet willen rechtvaardigen, zichzelf niet willen redden: een Farizeeër, volmaakt in het onderhouden van de wet. Dáár heeft hij niet op willen steunen, maar hij heeft alleen maar willen steunen op de barmhartigheid van Jezus.
Dat willen wij nu ook doen voor onszelf en voor allen die geloofsverantwoordelijkheid dragen.